De blauwe ogen uit mijn droom: een leven tussen verlangen en verlies
‘Waarom kijk je me nooit aan als ik met je praat?’ Mijn moeders stem trilde, haar handen klemden zich om de rand van het aanrecht. Ik stond in de deuropening van onze kleine keuken in Amersfoort, mijn schooltas nog op mijn rug. Buiten tikte de regen tegen het raam, maar binnen was het kouder dan ooit.
‘Ik weet het niet, mam,’ fluisterde ik. Mijn stem klonk vreemd, alsof hij niet bij mij hoorde. Ze draaide zich om, haar ogen – grijs als de lucht boven de stad – boorden zich in de mijne. ‘Je weet het nooit. Je zegt nooit iets. Je bent als een schim in dit huis, Joris.’
Ik wilde iets terugzeggen, iets wat haar gerust zou stellen, maar de woorden bleven steken in mijn keel. In plaats daarvan keek ik naar de vloer, naar de gebarsten tegels die ik als kind telde om mezelf te kalmeren. Mijn moeder zuchtte diep en draaide zich weer om. ‘Ga je huiswerk maken.’
Die avond lag ik wakker in bed. De regen was opgehouden, maar in mijn hoofd stormde het nog steeds. Ik dacht aan de droom die me al maanden achtervolgde: een vrouw met felblauwe ogen die me zachtjes toezong terwijl ze over mijn haar streek. Haar stem was warm, haar handen teder – zo anders dan alles wat ik ooit had gekend.
‘Joris, word wakker,’ fluisterde ze in mijn droom. ‘Ik ben hier.’
Maar als ik mijn ogen opendeed, was ik weer alleen. Altijd alleen.
Mijn vader kwam pas laat thuis die avond. Zijn voetstappen op de trap waren zwaar en traag. Ik hoorde hem met mijn moeder praten – geen woorden, alleen gefluister en het geluid van een deur die dichtviel. Soms vroeg ik me af of hij ooit echt naar mij keek, of dat hij alleen door mij heen keek, zoals door een raam dat beslagen is van verdriet.
Op school was ik onzichtbaar. De andere kinderen lachten om dingen die ik niet begreep, maakten plannen waar ik nooit bij hoorde. Alleen Marieke uit mijn klas glimlachte soms naar me, haar rode haar als een vlam in het grijze lokaal.
‘Waarom ben je altijd zo stil?’ vroeg ze op een dag tijdens het overblijven.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik weet het niet.’
Ze keek me onderzoekend aan. ‘Je hebt mooie ogen, weet je dat? Net als iemand uit een droom.’
Die woorden bleven hangen. Net als iemand uit een droom.
Thuis werd de sfeer steeds grimmiger. Mijn moeder was vaak weg – boodschappen doen, zei ze, maar ze kwam altijd met lege handen terug en rook naar sigarettenrook en goedkope parfum. Mijn vader zat urenlang voor zich uit te staren met een glas jenever in zijn hand.
Op een avond hoorde ik hen ruziën in de woonkamer. ‘Hij lijkt niet eens op mij!’ schreeuwde mijn vader. ‘Kijk naar hem! Die ogen… die ogen zijn niet van mij.’
‘Hou op,’ siste mijn moeder. ‘Niet waar hij bij is.’
Ik kroop dieper onder mijn dekbed, mijn hart bonsde in mijn borstkas. Wat bedoelde hij? Waarom voelde ik me plotseling nog meer een buitenstaander?
De volgende ochtend vond ik mijn moeder huilend aan de keukentafel. Haar handen trilden terwijl ze haar koffie vasthield.
‘Mam?’ vroeg ik voorzichtig.
Ze keek op, haar mascara uitgelopen over haar wangen. ‘Soms… soms weet ik niet meer wie ik ben, Joris.’
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Dus ging ik naast haar zitten en pakte haar hand vast. Voor het eerst trok ze haar hand niet weg.
De weken gingen voorbij en de spanning in huis werd ondraaglijk. Mijn vader kwam steeds later thuis en begon te schreeuwen om de kleinste dingen. Op een avond sloeg hij met zijn vuist op tafel toen ik per ongeluk een glas melk omstootte.
‘Kun je dan helemaal niks goed doen?’ bulderde hij.
Mijn moeder sprong ertussen. ‘Laat hem met rust! Het is maar een kind!’
‘Jouw kind misschien,’ snauwde hij terug.
Die woorden sneden dieper dan alles wat hij ooit had gezegd.
Die nacht droomde ik weer van de vrouw met de blauwe ogen. Ze hield me vast en fluisterde: ‘Het komt goed, Joris. Je bent niet alleen.’
Op een dag besloot ik Marieke alles te vertellen tijdens een wandeling langs de Eem.
‘Soms denk ik dat ik hier niet hoor,’ zei ik zachtjes.
Ze kneep bemoedigend in mijn hand. ‘Misschien hoor je ergens anders wel thuis.’
‘Maar waar dan? Wie ben ik eigenlijk?’
Marieke keek me aan met een blik vol mededogen. ‘Misschien moet je dat aan je moeder vragen.’
Die avond vond ik de moed om het gesprek aan te gaan.
‘Mam,’ begon ik aarzelend terwijl ze de afwas deed, ‘wie was die vrouw met blauwe ogen uit jouw verhalen?’
Ze verstijfde, liet een bord vallen dat in stukken op de vloer uiteenspatte.
‘Waarom vraag je dat?’ Haar stem was nauwelijks hoorbaar.
‘Omdat… omdat ik elke nacht over haar droom. Ze voelt zo echt.’
Mijn moeder draaide zich langzaam om, tranen in haar ogen.
‘Joris… er is iets wat je moet weten.’
Mijn hart bonsde in mijn keel terwijl ze begon te vertellen over haar jeugd, over een zomer waarin ze verliefd werd op een jongen uit Friesland – Jasper heette hij, met ogen zo blauw als het IJsselmeer.
‘Toen jij geboren werd… wist ik niet zeker wie je vader was,’ fluisterde ze. ‘Maar jouw ogen… die heb je van hem.’
Alles viel op zijn plek – het gevoel van anders zijn, de afstand tussen mij en mijn vader, de dromen over blauwe ogen.
‘Waarom heb je het nooit verteld?’ vroeg ik met gebroken stem.
Ze veegde haar tranen weg. ‘Omdat ik bang was je kwijt te raken… of misschien mezelf.’
Die nacht lag ik wakker, maar voor het eerst voelde ik geen angst meer – alleen verdriet en opluchting tegelijk.
De volgende dag confronteerde ik mijn vader tijdens het ontbijt.
‘Ben jij echt mijn vader?’ vroeg ik rechtuit.
Hij keek me lang aan, zijn gezicht ondoorgrondelijk.
‘Misschien niet op papier,’ zei hij uiteindelijk, ‘maar ik heb je opgevoed als mijn zoon.’
‘Maar heb je ooit van me gehouden?’
Hij zweeg lang voordat hij antwoordde: ‘Ik heb geprobeerd… maar soms wint het verleden van het heden.’
Het huis voelde daarna leger dan ooit. Mijn moeder probeerde dichterbij te komen, maar er hing altijd iets onuitgesprokens tussen ons in.
Marieke bleef aan mijn zijde; samen fietsten we uren door de polder, pratend over dromen en verlangens die misschien nooit werkelijkheid zouden worden.
Op een dag stond er een brief op de mat – van Jasper uit Friesland. Mijn moeder had hem geschreven na ons gesprek; nu wilde hij mij ontmoeten.
Met knikkende knieën reisde ik samen met haar naar het noorden. In een klein café aan het water zat hij te wachten – dezelfde blauwe ogen als in mijn dromen.
‘Joris,’ zei hij zachtjes toen we tegenover elkaar zaten. ‘Ik heb zoveel gemist…’
We praatten urenlang over alles wat nooit was geweest en alles wat misschien nog kon komen.
Toen we terugreden naar Amersfoort voelde ik me lichter dan ooit tevoren – alsof er eindelijk ruimte was gekomen voor wie ik werkelijk was.
Nu, jaren later, kijk ik terug op die tijd vol pijn en verwarring. Soms vraag ik me af: hoeveel van wie we zijn wordt bepaald door onze ouders? En hoeveel kunnen we zelf kiezen?
Wat denken jullie: kun je loskomen van het verleden of blijft het altijd als een schaduw achter je aan lopen?