De dag dat alles veranderde: een onverwachte confrontatie
‘Mevrouw, u kunt hier niet naar binnen,’ zegt de beveiliger met een strakke blik terwijl ik mijn natgeregende jas uitwring bij de ingang van het glazen kantoorpand. Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Maar… ik ben de vrouw van Mark van Dijk. Ik wil hem verrassen.’ Mijn stem trilt, maar ik probeer vastberaden te klinken. De man schudt zijn hoofd en lacht schamper. ‘Mevrouw, ik zie zijn vrouw bijna elke dag. U bent niet haar.’
Het voelt alsof de grond onder mijn voeten wegzakt. ‘Wat bedoelt u?’ fluister ik. De beveiliger kijkt me even onderzoekend aan, alsof hij zich realiseert dat hij te veel heeft gezegd. ‘Niets, mevrouw. U mag hier echt niet naar binnen zonder afspraak.’
Ik loop terug naar mijn auto, de regen slaat tegen het raam terwijl ik mijn hoofd op het stuur laat rusten. Mijn gedachten razen. Wie is die andere vrouw? Is dit een misverstand? Mark en ik zijn al vijftien jaar getrouwd. We hebben samen twee kinderen, Lotte en Bram. We wonen in een rijtjeshuis in Amersfoort, met een tuin vol onkruid en een schommel waar Mark vorig jaar nog zelf de touwen van heeft vervangen.
Thuis probeer ik mezelf te kalmeren. Misschien bedoelde de beveiliger gewoon een collega. Maar het zaadje van twijfel is geplant. Die avond aan tafel kijk ik naar Mark terwijl hij lacht om een grapje van Bram. Zijn ogen glanzen zoals altijd, maar nu zie ik iets anders: een schaduw, een afstand die ik niet eerder heb opgemerkt.
‘Hoe was je dag?’ vraag ik zo luchtig mogelijk.
‘Druk, zoals altijd,’ zegt hij, zonder op te kijken van zijn telefoon.
‘Heb je nog iets bijzonders meegemaakt?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee, gewoon vergaderingen.’
Ik slik mijn vragen in. Lotte kijkt me onderzoekend aan. Ze is veertien en voelt spanningen haarfijn aan. ‘Mam, is er iets?’
‘Nee hoor lieverd,’ lieg ik.
Die nacht lig ik wakker. Ik hoor Mark zachtjes ademen naast me, maar zijn rug is naar me toe gedraaid. De volgende ochtend besluit ik dat ik het moet weten. Ik bel mijn vriendin Sanne.
‘Sanne, mag ik je iets raars vragen?’
‘Altijd,’ zegt ze zonder aarzeling.
‘Zou jij… met me mee willen gaan naar Marks werk? Gewoon… om te kijken wie daar rondloopt?’
Sanne aarzelt geen moment. ‘Tuurlijk. We pakken het samen aan.’
Twee dagen later staan we samen bij het kantoorpand. Sanne doet alsof ze haar telefoon kwijt is en vraagt de beveiliger om hulp, zodat ik ongezien naar binnen kan glippen. Mijn hart bonkt in mijn keel als ik de lift instap naar de zesde verdieping.
De glazen deuren schuiven open en daar zie ik haar: een vrouw van mijn leeftijd, met lang donker haar en een rode jurk die haar figuur accentueert. Ze lacht naar Mark terwijl ze haar hand op zijn arm legt. Mark kijkt haar aan zoals hij mij vroeger aankeek.
Ik voel hoe mijn benen slap worden. Ik draai me om en ren terug naar beneden, waar Sanne op me wacht.
‘En?’ vraagt ze zacht.
Ik kan alleen maar huilen.
Thuis probeer ik te functioneren voor de kinderen, maar alles voelt nep. Mark merkt dat er iets is en probeert me te ontwijken. Op een avond barst het los.
‘Mark, wie is die vrouw?’
Hij schrikt zichtbaar. ‘Welke vrouw?’
‘De vrouw met wie je lachte op kantoor. De vrouw die volgens de beveiliger jouw vrouw is.’
Hij zucht diep en wrijft over zijn gezicht. ‘Haar naam is Iris. Ze werkt bij ons…’
‘En? Ben je verliefd op haar?’ Mijn stem breekt.
Hij knikt langzaam. ‘Het spijt me, Eva.’
De weken daarna zijn een waas van ruzies, tranen en stilte aan tafel. Lotte sluit zich op in haar kamer, Bram vraagt steeds of papa weer thuis komt slapen als Mark bij Iris logeert.
Mijn moeder belt elke dag om te vragen hoe het gaat, maar ik kan alleen maar huilen als ik haar stem hoor. ‘Je moet sterk zijn voor de kinderen,’ zegt ze steeds weer.
Op een avond zit ik alleen in de tuin, starend naar de schommel die zachtjes heen en weer wiegt in de wind. Sanne komt langs met wijn en chocola.
‘Je bent sterker dan je denkt,’ zegt ze terwijl ze mijn hand vasthoudt.
‘Maar wat als ik nooit meer gelukkig word?’ fluister ik.
‘Dan bouwen we samen iets nieuws op,’ zegt ze vastberaden.
Langzaam begin ik weer adem te halen. Ik ga meer werken op school, waar ik als onderwijsassistent werk. Ik neem Lotte mee naar haar eerste schoolfeest en help Bram met zijn spreekbeurt over dino’s.
Mark komt af en toe langs voor de kinderen, maar tussen ons blijft het stil. Soms zie ik spijt in zijn ogen, soms opluchting.
Op een dag komt Lotte naast me zitten op bed.
‘Mam, ben je boos op papa?’
Ik denk na voordat ik antwoord geef. ‘Ik ben vooral verdrietig, lieverd. Maar boosheid helpt ons niet verder.’
Ze knikt en slaat haar armen om me heen.
Nu, maanden later, voel ik me langzaam sterker worden. Het huis voelt anders zonder Mark, maar ook lichter. Ik heb geleerd dat liefde niet altijd genoeg is om iemand bij je te houden – soms moet je jezelf vasthouden om niet te verdrinken.
Soms vraag ik me af: had ik het kunnen voorkomen? Of was dit altijd al ons lot? Wat denken jullie – kun je iemand echt kennen, of blijven we altijd vreemden voor elkaar?