De Dag Dat Alles Veranderde: Mijn Leven met Mark
‘Hou op met zeuren, ik heb honger! Is een tweede dag griep nou echt een reden om in bed te blijven liggen?’
De woorden van Mark snijden als messen door de stilte van onze slaapkamer. Mijn hoofd bonkt, mijn keel brandt en ik voel me zo zwak dat zelfs het optillen van het dekbed als een marathon voelt. Maar Mark staat aan het voeteneind, zijn armen over elkaar, zijn blik ongeduldig. Ik probeer iets te zeggen, maar het enige wat eruit komt is een schor gefluister.
‘Mark… ik voel me echt niet goed. Kun je misschien zelf even iets maken?’
Hij rolt met zijn ogen. ‘Altijd hetzelfde liedje met jou, Eva. Als jij ziek bent, ligt het hele huishouden stil. Je denkt zeker dat het vanzelf gaat?’
Ik voel tranen prikken achter mijn ogen, maar ik slik ze weg. Niet huilen, niet nu. Ik ben altijd sterk geweest, dat moet ik nu ook zijn. Maar diep vanbinnen breekt er iets.
Mijn gedachten dwalen af naar vroeger, naar de tijd dat ik dacht dat liefde betekende dat je alles voor elkaar over had. Dat je samen sterk stond, ook als het moeilijk werd. Maar de afgelopen drie jaar met Mark hebben me vooral geleerd hoe eenzaam je je kunt voelen met iemand naast je in bed.
Mijn moeder zei altijd: ‘Eva, kies iemand die je respecteert.’ Maar Mark was charmant, grappig en had een glimlach waar ik voor viel als een blok. Niemand zag de andere kant – de kant die nu tegenover me staat, ongeduldig en kil.
Het is niet de eerste keer dat hij zo doet. Vorige maand nog, toen mijn vader in het ziekenhuis lag na zijn hartaanval, vond Mark het overdreven dat ik elke dag op bezoek ging. ‘Je moeder is er toch? Wat moet jij daar nou steeds?’ vroeg hij toen ik mijn jas pakte.
‘Omdat het mijn vader is, Mark! Omdat hij misschien niet meer beter wordt!’
Hij haalde zijn schouders op en zette de televisie harder. ‘Je overdrijft altijd alles.’
Die avond huilde ik in stilte op de bank bij mijn ouders thuis. Mijn moeder aaide over mijn haar en zei zacht: ‘Je hoeft niet alles alleen te dragen, lieverd.’ Maar ik voelde me zwaarder dan ooit.
Nu, terwijl Mark de kamer uitloopt en de deur hard achter zich dichttrekt, vraag ik me af wanneer ik mezelf ben kwijtgeraakt. Wanneer ben ik gestopt met opkomen voor wat ik nodig heb? Wanneer werd zijn onbegrip mijn dagelijkse realiteit?
De dagen erna probeer ik te herstellen van mijn griep, maar Mark blijft mokken. Hij eet nauwelijks thuis, laat zijn vuile was slingeren en moppert als ik niet snel genoeg reageer op zijn appjes. Op een avond komt hij thuis met een plastic zak vol friet en gooit die op tafel.
‘Hier, eten. Ik hoop dat je nu weer normaal kunt doen.’
Ik staar naar de lauwe friet en voel hoe de woede in me opborrelt. ‘Mark, waarom doe je zo? Waarom kun je niet gewoon even aardig zijn als ik ziek ben?’
Hij lacht schamper. ‘Omdat jij altijd zo dramatisch doet. Iedereen is wel eens ziek.’
‘Maar jij verwacht wel dat ik voor jou zorg als jij ziek bent!’
Hij zwijgt even en kijkt me dan aan met die blik die ik zo goed ken – minachtend, alsof ik een kind ben dat niet begrijpt hoe de wereld werkt.
‘Misschien moet je gewoon wat minder zeuren,’ zegt hij uiteindelijk.
Die nacht slaap ik nauwelijks. Ik lig te woelen onder het dekbed en luister naar zijn gesnurk naast me. Mijn gedachten razen: is dit het leven dat ik wil? Is dit liefde?
De volgende ochtend bel ik mijn vriendin Sanne. We kennen elkaar al sinds de middelbare school; zij is altijd degene geweest die me begrijpt zonder woorden.
‘San, mag ik bij jou komen? Ik trek het even niet meer thuis.’
Ze hoeft geen seconde na te denken. ‘Natuurlijk, Eva. Kom maar gewoon.’
Bij Sanne thuis barst ik in tranen uit. Ze zet thee voor me en luistert zonder oordeel terwijl ik alles eruit gooi: de ruzies, het onbegrip, de eenzaamheid.
‘Waarom blijf je bij hem?’ vraagt ze zacht.
Ik weet het niet meer. Omdat scheiden zo definitief voelt? Omdat iedereen dacht dat wij het perfecte stel waren? Omdat ik bang ben voor wat mensen zullen zeggen?
Sanne pakt mijn hand vast. ‘Je verdient beter dan dit.’
Die woorden blijven hangen in mijn hoofd als een echo. Ik verdien beter dan dit.
De weken daarna probeer ik met Mark te praten. Ik stel voor om samen naar relatietherapie te gaan, maar hij lacht het weg.
‘Alsof een vreemde ons kan vertellen hoe we moeten leven,’ zegt hij spottend.
Ik voel me steeds kleiner worden in ons huis in Utrecht, tussen de foto’s van onze bruiloft en de herinneringen aan betere tijden. Mijn ouders merken dat er iets mis is; mijn moeder belt vaker dan normaal.
‘Gaat het wel goed met jullie?’ vraagt ze voorzichtig.
Ik lieg. ‘Ja hoor, gewoon druk.’
Maar op een dag kan ik niet meer liegen. Het is een regenachtige zaterdagmiddag als Mark weer begint te schreeuwen omdat ik vergeten ben melk te kopen.
‘Kun je nou nooit eens iets goed doen?’ roept hij terwijl hij met de koelkastdeur slaat.
Ik voel iets knappen in mezelf. Ik pak mijn jas en loop zonder om te kijken naar buiten, de regen in. Mijn voeten brengen me vanzelf naar het huis van mijn ouders.
Mijn moeder doet open en ziet meteen aan mijn gezicht dat het menens is.
‘Kom binnen,’ zegt ze zacht.
Ik stort in haar armen neer en snik: ‘Ik kan niet meer, mam.’
De dagen daarna slaap ik op mijn oude kamer. Mijn vader zegt weinig, maar legt elke ochtend een kopje thee naast mijn bed – zijn stille manier om te laten zien dat hij er voor me is.
Mark belt en appt me tientallen keren per dag. Eerst boos (‘Je laat me gewoon zitten?!’), dan smekend (‘Kom alsjeblieft terug, Eva’), dan weer boos (‘Je bent ondankbaar!’).
Ik reageer niet meer.
Na een week stuur ik hem een bericht: ‘Ik kom niet meer terug.’
Het voelt alsof er een last van me afvalt – maar ook alsof ik in het diepe spring zonder te weten of ik kan zwemmen.
De maanden daarna zijn zwaar. De scheiding is pijnlijk; Mark weigert mee te werken en probeert me zwart te maken bij vrienden en familie. Sommige mensen kiezen zijn kant – zeggen dat ik te gevoelig ben, dat ik niet genoeg heb geprobeerd.
Maar anderen steunen me onvoorwaardelijk: Sanne, mijn ouders, zelfs mijn broer Daan die altijd zo nuchter is.
Langzaam begin ik mezelf terug te vinden. Ik ga weer werken bij de bibliotheek waar ik ooit zo gelukkig was; ik ga wandelen in het park zonder bang te zijn voor boze appjes als ik even niet reageer; ik leer weer lachen om kleine dingen – een kop koffie in de zon, een goed boek, een onverwacht gesprek met een oude bekende.
Soms denk ik terug aan Mark – aan hoe charmant hij kon zijn, aan hoe graag ik wilde geloven dat we samen oud zouden worden. Maar vaker denk ik aan wie ík ben geworden: iemand die haar eigen grenzen kent, die weet wat ze waard is.
Nu zit ik hier aan tafel bij Sanne thuis – zij tegenover mij met haar eeuwige glimlach – en vraag ik me af: hoeveel vrouwen zitten nog gevangen in zo’n huwelijk? Hoeveel mensen durven niet te kiezen voor zichzelf uit angst voor wat anderen zullen zeggen?
Misschien is het tijd dat we daarover praten – echt praten – zodat niemand zich ooit nog zo alleen hoeft te voelen als ik toen.