De Kinderen Aan Tafel: De Dag Die Niemand Onthield

‘Mam, waar is mijn gymtas?!’

Het was niet eens een echte vraag. Het was een verwijt, gegoten in de stem van mijn oudste dochter, Sophie. Ze stond in de deuropening van de keuken, haar blik op haar telefoon gericht. Ik stond met mijn handen in het sop, de geur van afwasmiddel en oud vet in mijn neus. Mijn rug deed pijn, maar ik glimlachte flauwtjes.

‘Kijk even in de gangkast, lieverd,’ zei ik zacht.

‘Heb ik al gedaan!’ riep ze, zonder op te kijken. ‘Je weet toch altijd waar alles ligt?’

Ik voelde een steek vanbinnen. Ja, ik wist altijd waar alles lag. Ik wist wanneer de melk op was, wanneer de jongste, Bram, zijn spreekbeurt moest houden, wanneer mijn man, Jeroen, zijn belangrijke vergadering had. Maar niemand leek te weten waar ík was, of hoe ik me voelde.

Bram kwam binnenrennen, struikelend over zijn veters. ‘Mam! Mijn sokken zijn nat! Mag ik je telefoon voor een spelletje?’

‘Nee, Bram. Je moet je sokken uitdoen en droge aantrekken. Je weet waar ze liggen.’

Hij zuchtte diep en slofte weg. Mijn jongste dochter, Lotte, zat al aan tafel met haar iPad. Ze keek niet op of om.

Jeroen kwam binnen met zijn laptop onder zijn arm. ‘Ik moet straks nog even bellen met Duitsland,’ zei hij terloops. ‘Kun je zorgen dat het rustig is rond half acht?’

‘Natuurlijk,’ zei ik automatisch.

Het was alsof ik een soort huishoudrobot was geworden. Iedereen verwachtte dat ik alles regelde, alles wist, alles oploste. Maar niemand vroeg ooit: ‘Hoe gaat het met jóu, mam?’

Die avond aan tafel probeerde ik het gesprek op gang te brengen. ‘Hoe was jullie dag?’ vroeg ik terwijl ik de aardappels opschepte.

‘Saai,’ zei Sophie zonder op te kijken.

‘Ik had een toets,’ mompelde Lotte.

Bram was te druk bezig met zijn vork als katapult gebruiken om te antwoorden.

Jeroen keek op van zijn telefoon. ‘Kun je straks even mijn blauwe overhemd strijken voor morgen? Ik heb een presentatie.’

Ik knikte weer. Natuurlijk kon ik dat.

Plotseling voelde ik tranen branden achter mijn ogen. Ik slikte ze weg en probeerde te glimlachen. ‘Weet je nog dat we vorig jaar samen naar Texel gingen? Dat was zo gezellig…’

‘Mam, dat was drie dagen regen,’ zei Sophie droogjes.

‘En er waren geen goede wifi,’ voegde Lotte eraan toe.

Bram gooide een aardappel naar zijn zus.

‘Bram!’ riep Jeroen streng. ‘Gedraag je eens!’

Ik stond op om keukenpapier te pakken en hoorde mezelf zeggen: ‘Ik ga even naar boven.’ Niemand keek op.

Op de overloop bleef ik staan en luisterde naar het geroezemoes beneden. Mijn hart bonsde in mijn borstkas. Ik dacht aan vroeger, aan hoe blij ik was toen Sophie werd geboren. Hoe ik haar vasthield en dacht: dit is het mooiste wat me ooit is overkomen. Hoe Jeroen en ik samen lachten om de eerste stapjes van Lotte. Hoe Bram als baby altijd tegen me aan kroop.

Wanneer was dat veranderd? Wanneer was ik veranderd in iemand die alleen nog maar zorgt?

Ik liep naar de badkamer en keek in de spiegel. Mijn ogen waren rood, mijn haar zat slordig in een knot. Ik zag een vrouw die moe was. Een vrouw die vergeten werd.

Die nacht lag ik wakker naast Jeroen. Zijn ademhaling was diep en regelmatig; hij sliep al lang. Ik draaide me om en staarde naar het plafond. Zou iemand merken als ik er morgen niet was? Zou iemand zich afvragen waar mama gebleven is?

De volgende ochtend stond ik vroeg op. Ik zette koffie voor Jeroen, smeerde boterhammen voor de kinderen en legde hun spullen klaar. Toen ze beneden kwamen, zat ik al aan tafel met een kop thee.

‘Mam, waar is mijn gymtas?’ vroeg Sophie weer.

Ik keek haar aan en zei: ‘In de gangkast.’

Ze liep weg zonder dankjewel te zeggen.

Jeroen kwam binnen en pakte zijn koffie zonder iets te zeggen. Lotte pakte haar iPad en Bram mopperde over zijn sokken.

Toen ze allemaal weg waren, bleef ik alleen achter aan tafel. De stilte was oorverdovend.

Ik pakte pen en papier en begon te schrijven:

‘Lieve allemaal,
Vandaag neem ik een dag voor mezelf. Ik ben niet weg, maar wel even uit beeld. Zorg goed voor elkaar en vergeet niet dat mama ook iemand is.’

Ik legde het briefje op tafel en trok mijn jas aan. Buiten voelde de lucht fris aan op mijn huid. Ik liep richting het park en ademde diep in.

Voor het eerst in jaren voelde ik me licht.

Later die dag kreeg ik een berichtje van Jeroen: ‘Waar ben je? De kinderen zoeken je.’

Ik glimlachte en stuurde terug: ‘Ik ben even Marjolein vandaag.’

Toen ik ’s avonds thuiskwam, zaten ze allemaal aan tafel. De tafel was een chaos; lege borden, gemorste melk, een aangebrande pan op het fornuis.

Sophie keek op toen ik binnenkwam. ‘Mam… waar was je?’

‘Ik had even tijd voor mezelf nodig,’ zei ik rustig.

Jeroen stond op en liep naar me toe. ‘Het spijt me,’ zei hij zacht. ‘We hebben je gemist.’

Bram rende naar me toe en sloeg zijn armen om me heen. Lotte keek me aan met grote ogen.

‘We dachten dat je boos was,’ fluisterde ze.

‘Nee,’ zei ik terwijl ik haar hand pakte. ‘Ik was verdrietig.’

Die avond zaten we samen aan tafel, zonder schermen, zonder haast. We praatten over Texel, over school, over dromen en angsten.

Misschien zouden ze morgen weer vergeten hoe belangrijk het is om elkaar te zien – écht te zien – maar vandaag hadden ze het begrepen.

En ik? Ik had mezelf weer gevonden.

Soms vraag ik me af: hoeveel moeders zitten er elke dag aan tafel zonder gezien te worden? En wat zou er gebeuren als we allemaal eens opstonden?