De Laatste Appeltaart van Oma: Een Verhaal over Vergeten, Liefde en Eenzaamheid

‘Waarom ben je hier eigenlijk, Merel?’ De stem van mijn moeder snijdt door de stilte als een mes. Ik sta in de kleine keuken van oma’s huisje in het Gelderse buitengebied, mijn handen vol appels die ik net uit de tuin heb geplukt. Buiten huilt de wind door de bomen, binnen ruikt het naar kaneel en oud hout.

Ik slik. ‘Omdat oma jarig is. Omdat ze negentig wordt. Omdat…’

‘Omdat je je schuldig voelt,’ vult mijn moeder aan, haar blik hard. Ze draait zich om, haar schouders gespannen. ‘Je komt nooit. Niemand komt ooit meer.’

Oma’s handen trillen als ze het deeg kneedt. Haar grijze haren hangen losjes om haar gezicht, haar ogen zijn waterig maar scherp. ‘Laat ze maar, Anna,’ zegt ze zacht tegen mijn moeder. ‘Ze is er nu toch?’

Ik voel me kleiner dan ooit. Alsof ik weer dat meisje ben dat zich verstopte achter de gordijnen als papa en mama schreeuwden in de kamer ernaast. Maar nu zijn we hier met z’n drieën, opgesloten in een huis vol herinneringen die niemand hardop durft te noemen.

‘Wil je helpen met de appels snijden?’ vraagt oma. Haar stem is broos, maar er zit iets dwingends in. Ik knik en pak het mesje aan. Mijn vingers zijn koud, mijn hart bonkt in mijn keel.

‘Weet je nog, vroeger?’ begint oma terwijl ze langzaam het deeg uitrolt. ‘Toen jullie allemaal hier kwamen op zondag? Met z’n allen aan tafel, lachen om niks?’

Mijn moeder snuift. ‘Dat was voordat papa…’ Ze slikt haar zin in en kijkt naar buiten, waar de regen tegen het raam slaat.

Ik weet precies wat ze bedoelt. Voordat opa stierf aan een hartaanval, voordat mijn vader vertrok zonder afscheid te nemen, voordat mijn broer Tom besloot dat familie hem niets meer kon schelen. Sindsdien zijn we uit elkaar gevallen als kruimels van een oude koek.

‘Misschien moeten we gewoon proberen,’ zeg ik zacht. ‘Voor vandaag.’

Oma glimlacht flauwtjes. ‘Voor vandaag dan.’

We werken zwijgend verder. De appels worden geschild, het deeg uitgerold, de kaneel gestrooid. Af en toe hoor ik het zachte tikken van oma’s trouwring tegen de kom – een geluid dat me altijd geruststelde als kind.

Plotseling klinkt er gestommel bij de voordeur. Mijn hart slaat over. Mijn moeder kijkt me aan, haar ogen groot.

‘Zou het…?’ fluistert ze.

De deur zwaait open en daar staat Tom, mijn broer, met natte haren en een onhandige glimlach. ‘Hoi,’ zegt hij schor.

Oma’s gezicht licht op als een kind dat haar favoriete snoepje krijgt. ‘Tom! Wat doe jij hier?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik dacht… misschien is het tijd om weer eens thuis te komen.’

Mijn moeder snuift, maar haar ogen glanzen. ‘Je had wel even kunnen bellen.’

Tom kijkt naar zijn schoenen. ‘Ik wist niet of ik welkom was.’

Oma schuifelt naar hem toe en slaat haar armen om hem heen. ‘Je bent altijd welkom.’

De spanning in de kamer verandert van kilte naar iets zachters, iets wat lijkt op hoop.

We zitten even later met z’n vieren aan tafel, terwijl de appeltaart in de oven staat te bakken. De geur vult het hele huis – zoet, warm, troostend.

‘Weet je nog hoe opa altijd stiekem extra slagroom nam?’ zegt Tom ineens.

Oma lacht hardop, een geluid dat ik al jaren niet meer heb gehoord. ‘En hoe hij dan zei dat het voor de kleinkinderen was!’

Mijn moeder glimlacht voorzichtig. ‘Hij kon nooit liegen.’

We praten over vroeger – over zomers in de tuin, over sneeuwballengevechten op het erf, over verjaardagen waarop iedereen zong tot de buren kwamen klagen.

Maar dan valt er een stilte. De herinneringen zijn mooi, maar ze doen ook pijn.

‘Waarom zijn we eigenlijk zo uit elkaar gegroeid?’ vraag ik zacht.

Mijn moeder kijkt me aan met vochtige ogen. ‘Omdat we allemaal ons eigen verdriet hadden,’ zegt ze. ‘En niemand wist hoe we dat samen moesten dragen.’

Tom knikt langzaam. ‘Ik was boos op alles en iedereen. Maar vooral op mezelf.’

Oma pakt onze handen vast. Haar huid is dun als papier, maar haar grip is verrassend stevig.

‘Luister,’ zegt ze. ‘Het leven is te kort om boos te blijven. Ik heb jullie allemaal nodig, nu meer dan ooit.’

De oven piept en ik haal de taart eruit – goudbruin, dampend, precies zoals vroeger.

We snijden hem aan en eten zwijgend, ieder verzonken in eigen gedachten.

Na het eten help ik oma naar haar stoel bij het raam. Ze kijkt naar buiten, waar de regen eindelijk is opgehouden.

‘Weet je,’ zegt ze zacht tegen mij, ‘soms denk ik dat ik alles vergeet wat belangrijk was. Maar als jullie hier zijn… dan weet ik weer wie ik ben.’

Ik slik mijn tranen weg en knijp in haar hand.

Die avond blijf ik langer dan normaal. Mijn moeder en Tom praten zachtjes in de keuken; oma dommelt in haar stoel met een glimlach op haar gezicht.

Als ik naar huis fiets door de donkere polderwegen, vraag ik me af: waarom wachten we altijd tot het bijna te laat is om elkaar weer op te zoeken? Waarom laten we oude pijn zo lang tussen ons instaan?

Misschien is het tijd om vaker terug te komen – niet alleen voor oma’s appeltaart, maar voor alles wat we samen waren en misschien weer kunnen zijn.