De Omhelzing bij het Graf: Een Onvergetelijke Nacht in Rotterdam

‘Marije, kom nou. We moeten gaan.’ De stem van mijn moeder trilde, maar ik hoorde haar nauwelijks. Mijn handen lagen op de koude rand van de kist. Mijn vader lag daar, zijn gezicht bleek en vredig, alsof hij elk moment zijn ogen kon openen en me zou vragen waarom ik zo laat thuis was gekomen.

‘Ik blijf hier,’ fluisterde ik. Mijn zusje Lotte stond achter me, haar kleine handje in de mijne geklemd. Ze was pas zes, te jong om te begrijpen wat dood echt betekende. Maar ik was acht en ik wist het wel. Papa kwam niet meer terug.

De kamer rook naar lelies en koffie. Buiten hoorde ik het zachte geruis van regen tegen het raam van het uitvaartcentrum. Familieleden fluisterden in de hoek, hun stemmen als verre echo’s. Mijn moeder probeerde me los te trekken, maar ik hield me vast aan de kist. ‘Laat me met rust!’ schreeuwde ik plotseling, mijn stem rauw van verdriet. Iedereen keek op.

‘Marije, dit helpt niemand,’ zei mijn moeder zacht, haar ogen rood van het huilen. Maar ik voelde alleen maar woede. Waarom moest papa doodgaan? Waarom moest ik hem nu al missen? Ik drukte mijn gezicht tegen zijn koude hand en voelde hoe de tranen over mijn wangen stroomden.

‘Papa, word wakker,’ fluisterde ik. ‘Alsjeblieft.’

Lotte begon te snikken. ‘Marije, kom mee naar huis…’

Maar ik kon niet weggaan. Niet nu. Niet zonder hem nog één keer vast te houden. Ik klom op een stoel naast de kist en sloeg mijn armen om zijn lichaam, zo goed als dat ging. Zijn pak voelde stijf en vreemd aan, zijn geur was weg. Alleen die kille stilte bleef over.

Plotseling voelde ik iets raars. Alsof er een koude wind door de kamer trok, terwijl alle ramen dicht waren. Mijn haren gingen overeind staan en ik hoorde een zacht gefluister, alsof iemand mijn naam riep. ‘Marije…’

Ik verstijfde. Was het mijn verbeelding? Of was het papa? Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik keek naar Lotte, die met grote ogen naar me staarde.

‘Heb jij dat ook gehoord?’ vroeg ze zacht.

Voordat ik kon antwoorden, kwam tante Els op ons af. ‘Kinderen, dit is niet goed voor jullie. Kom mee naar buiten.’

Maar ik wilde niet luisteren. Ik wilde weten wat er net gebeurd was. Was papa nog ergens hier? Of was het gewoon de wind?

Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik lag in bed met Lotte naast me, haar ademhaling onregelmatig van het huilen. Mijn moeder liep door het huis als een schim, haar voetstappen klonken hol op de houten vloer van onze flat in Rotterdam-Zuid.

De dagen na de begrafenis waren zwaar. Mijn moeder werd stiller en bozer tegelijk. Ze schreeuwde vaker tegen ons, vooral als we vroegen naar papa.

‘Ik kan het niet meer aan!’ riep ze op een avond toen Lotte weer begon te huilen om papa. ‘Jullie moeten sterk zijn! Voor mij!’

Maar hoe moest ik sterk zijn als alles pijn deed? Op school kon ik me niet concentreren. Mijn vriendinnen wisten niet wat ze moesten zeggen. Juf Karin probeerde me te troosten, maar haar woorden voelden leeg.

Thuis werd de sfeer steeds grimmiger. Mijn moeder kreeg ruzie met oma over geldzaken rond de erfenis. ‘Hij had alles beter moeten regelen!’ snauwde oma tijdens een familie-etentje dat eindigde in tranen en verwijten.

Lotte werd stiller en begon ’s nachts te slaapwandelen. Ik vond haar een keer in de gang, pratend tegen iemand die er niet was.

‘Met wie praat je?’ vroeg ik zachtjes.

‘Met papa,’ fluisterde ze terug.

Mijn hart brak opnieuw.

Op een avond, toen de regen tegen de ramen sloeg en de stad buiten ons huis leek te verdwijnen in mist en duisternis, hoorde ik weer dat gefluister. ‘Marije…’

Ik sloop naar de woonkamer waar papa’s oude jas nog aan de kapstok hing. Ik rook eraan, hopend iets van hem terug te vinden.

Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder. Ik draaide me om – niemand.

Was het allemaal in mijn hoofd? Of probeerde papa ons iets te vertellen? Ik begon te dromen over hem; hij zat aan tafel met ons, lachte zoals vroeger, maar telkens als ik hem wilde aanraken verdween hij als rook.

Mijn moeder merkte dat er iets met mij was. Ze werd steeds ongeduldiger.

‘Je moet stoppen met doen alsof hij nog leeft,’ beet ze me toe toen ze me betrapte bij de kapstok.

‘Maar hij is hier nog!’ riep ik uit.

‘Nee! Hij is weg! En wij moeten verder!’ Haar stem brak en ze sloeg de deur dicht.

Die nacht besloot ik terug te gaan naar het uitvaartcentrum. Ik moest weten of papa echt nog ergens was.

Samen met Lotte sloop ik uit bed en trok onze regenjassen aan. We fietsten door de lege straten van Rotterdam, het licht van de lantaarns weerspiegelde in de plassen op het asfalt.

Bij het uitvaartcentrum was alles donker en stil. We klommen over het hek en liepen naar het raam van de kamer waar papa had gelegen.

‘Papa?’ fluisterde Lotte bibberend.

Toen gebeurde het: een zachte gloed verscheen in de kamer, precies op de plek waar zijn kist had gestaan. We hoorden weer dat gefluister – nu duidelijker dan ooit.

‘Ik ben trots op jullie…’

Lotte greep mijn hand stevig vast. Tranen stroomden over onze wangen, maar voor het eerst voelde ik geen angst meer – alleen liefde en gemis.

We fietsten zwijgend terug naar huis, terwijl de zon langzaam opkwam boven de Maas.

Vanaf die dag veranderde er iets in ons gezin. Mijn moeder bleef worstelen met haar verdriet, maar Lotte en ik vonden steun bij elkaar – en soms, heel soms, voelden we papa’s aanwezigheid als een warme bries op een koude dag.

Nu vraag ik me af: hoe ga je verder als je iemand verliest die je alles betekent? En wat blijft er over van een gezin als verdriet alles dreigt te verscheuren? Misschien hebben anderen hetzelfde meegemaakt – hoe vonden jullie weer licht na zo’n donkere tijd?