De Onuitgesproken Waarheid van de Familie van Dijk: Een Nacht die Alles Veranderde

‘Marieke, je liegt! Je liegt gewoon recht in mijn gezicht!’ De stem van mijn moeder, Ans, trilde door de keuken. Mijn handen klemden zich om de rand van het aanrecht, terwijl ik probeerde mijn ademhaling onder controle te houden. Buiten tikte de regen tegen het raam, alsof zelfs de hemel niet wilde dat ik zou antwoorden.

‘Mam, alsjeblieft, geloof me nou. Ik heb niks met Jeroen gedaan. Hij kwam alleen maar langs om zijn jas op te halen.’ Mijn stem klonk schor, alsof ik al uren had gehuild. Misschien was dat ook wel zo.

Mijn moeder draaide zich om, haar gezicht bleek en haar ogen fel. ‘Je weet dat hij getrouwd is met je zus! Hoe durf je hem überhaupt binnen te laten?’

Ik voelde de tranen branden achter mijn ogen. ‘Hij stond ineens voor de deur. Wat moest ik dan doen? Hem buiten laten in die storm?’

Ze sloeg met haar hand op tafel. ‘Je weet hoe kwetsbaar Sanne is sinds haar miskraam. En nu dit! Jij… jij verraadt je eigen bloed!’

Ik kon niet meer. Ik stormde naar boven, sloot me op in mijn kamer en liet mezelf op het bed vallen. Mijn gedachten tolden. Was het echt zo erg wat ik had gedaan? Jeroen was altijd al meer een broer voor me geweest dan een zwager. Maar sinds die avond, toen hij dronken op het familiefeest iets te lang naar me keek, was alles veranderd.

Die nacht lag ik wakker, luisterend naar het zachte gesnik van mijn moeder beneden. Mijn vader, Willem, was zoals altijd afwezig – fysiek aanwezig, maar emotioneel onbereikbaar. Sinds zijn ontslag vorig jaar was hij alleen nog maar stiller geworden. Hij zat urenlang voor zich uit te staren in de serre, starend naar de vijver waar vroeger onze hond speelde.

De volgende ochtend zat Sanne aan de keukentafel, haar ogen rood van het huilen. Ze keek niet op toen ik binnenkwam. ‘Heb je lekker geslapen?’ vroeg ze kil.

‘Sanne…’

‘Laat maar,’ onderbrak ze me. ‘Ik wil het niet horen.’

Ik wilde haar uitleggen dat er echt niets was gebeurd, dat Jeroen alleen maar zijn jas kwam halen en dat hij daarna meteen weer vertrok. Maar de woorden bleven steken in mijn keel. Hoe kon ik haar overtuigen als ze me niet eens aankeek?

De dagen daarna voelde het huis als een gevangenis. Mijn moeder sprak nauwelijks tegen me, Sanne negeerde me volledig en mijn vader was zoals altijd onzichtbaar. Alleen oma Truus, die elke woensdag langskwam met appeltaart, probeerde de spanning te breken.

‘Kinderen,’ zei ze terwijl ze plakjes taart sneed, ‘familie is alles wat je hebt. Je moet elkaar vasthouden, juist als het moeilijk is.’

Ik knikte zwijgend en keek naar Sanne, die haar vorkje in de taart prikte zonder te eten.

Die avond hoorde ik mijn ouders ruziën in de woonkamer. Mijn moeders stem sneed door de stilte: ‘We moeten haar eruit zetten, Willem! Ze brengt alleen maar ellende.’

Mijn vaders stem was dof: ‘Ze is onze dochter, Ans. We kunnen haar niet zomaar op straat zetten.’

‘En Sanne dan? Ze is kapot!’

Ik kroop onder mijn dekens en probeerde hun stemmen buiten te sluiten. Maar hun woorden bleven echoën in mijn hoofd.

Twee dagen later stond Jeroen weer voor de deur. Dit keer was hij nuchter, zijn gezicht grauw en zijn ogen dof.

‘Marieke, mag ik even met je praten?’ fluisterde hij.

Ik aarzelde, maar knikte toen en liep met hem naar het parkje achter ons huis. De regen was opgehouden en de lucht rook fris.

‘Het spijt me,’ begon hij. ‘Ik had nooit moeten komen die avond. Sanne denkt nu dat er iets tussen ons is.’

‘Dat is niet jouw schuld,’ zei ik zacht. ‘Ze zoekt gewoon iemand om haar pijn op af te reageren.’

Hij keek me aan, zijn blik intens. ‘Misschien… misschien is het beter als ik even wegga. Naar mijn broer in Groningen of zo.’

Ik slikte. ‘En Sanne dan?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ze wil me niet meer zien.’

We stonden een tijdje zwijgend naast elkaar. Toen draaide hij zich om en liep weg, zonder nog iets te zeggen.

Toen ik thuiskwam zat Sanne op de trap te wachten.

‘Ben je bij hem geweest?’ vroeg ze zonder op te kijken.

‘Ja,’ zei ik eerlijk.

Ze zuchtte diep en keek me eindelijk aan. Haar ogen waren nat van de tranen.

‘Waarom jij altijd?’ vroeg ze zachtjes. ‘Waarom kiest iedereen altijd jou?’

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Was dat echt zo? Was ik altijd degene die alles kreeg? Of voelde zij zich gewoon altijd tekortgedaan?

Die nacht droomde ik over vroeger – over hoe we samen hutten bouwden in het bos achter ons huis, hoe we samen lachten om papa’s flauwe grappen en hoe mama ons instopte met warme chocolademelk na een dag sneeuwpret.

Waar was het misgegaan?

De volgende ochtend besloot ik weg te gaan. Ik pakte mijn tas en schreef een brief aan Sanne:

‘Lieve Sanne,
Het spijt me dat alles zo gelopen is. Ik hou van je en hoop dat je ooit begrijpt dat ik nooit iets heb willen afpakken. Misschien is afstand nu beter voor ons allebei.
Liefs,
Marieke’

Ik vertrok naar Amsterdam, waar een vriendin een kamer voor me had geregeld in een oud studentenhuis aan de Amstel. Het leven daar was anders – anoniem, druk, vol nieuwe gezichten en verhalen. Maar elke avond dacht ik aan thuis: aan mama’s appeltaart, aan papa’s stille aanwezigheid, aan Sanne’s verdrietige ogen.

Soms belde oma Truus om te vragen hoe het ging. ‘Je moeder mist je,’ zei ze dan zachtjes.

‘En Sanne?’ vroeg ik altijd.

Oma zuchtte dan alleen maar.

Na een paar maanden kreeg ik een kaart van Sanne:
‘Misschien kunnen we ooit weer zussen zijn.’
Meer stond er niet op, maar het was genoeg om hoop te voelen.

Nu, jaren later, vraag ik me nog steeds af: had ik meer kunnen doen? Had ik harder moeten vechten voor mijn familie? Of is loslaten soms ook liefde?

Wat zouden jullie hebben gedaan als jullie in mijn schoenen stonden?