De Portemonnee van Mijn Man, Mijn Gevangenis: Een Strijd om Vrijheid in een Bevroren Huwelijk
‘Waar is het bonnetje van de Albert Heijn, Marleen?’ Jeroens stem snijdt door de stilte van onze keuken. Zijn ogen glijden over mijn handen, die trillen terwijl ik in mijn tas graai. ‘Ik heb het… ergens,’ mompel ik, terwijl mijn wangen gloeien van schaamte.
Het is weer zover. Elke week hetzelfde ritueel: ik krijg vijftig euro, precies afgemeten, voor boodschappen en benzine. Elke cent moet verantwoord worden. Soms vergeet ik een bonnetje, of koop ik iets kleins voor mezelf—een tijdschrift, een reep chocolade—en dan voel ik zijn blik als een koude douche over me heen spoelen.
‘Je weet dat we het niet breed hebben,’ zegt hij, zijn stem ijzig kalm. ‘Als je niet kunt uitleggen waar het geld blijft, moet ik het voortaan zelf doen.’
Ik knik zwijgend. Mijn dochtertje Noor kijkt op van haar kleurboek aan tafel. Haar grote blauwe ogen zoeken de mijne, maar ik durf haar niet aan te kijken. Ik wil haar niet laten zien hoe klein ik me voel.
Vijftien jaar geleden was Jeroen anders. Toen we elkaar ontmoetten op een feestje in Utrecht, was hij charmant en grappig. We fietsten samen door de stad, dronken wijn aan de Oudegracht en droomden over een toekomst vol avontuur. Maar naarmate de jaren verstreken, veranderde er iets. Eerst kleine opmerkingen over mijn uitgaven—‘Heb je dat jurkje echt nodig?’—en later steeds meer controle.
Toen Noor werd geboren, stopte ik met werken. ‘Het is beter voor Noor als jij thuis bent,’ zei Jeroen. ‘Ik verdien genoeg.’ In het begin voelde het als een luxe, maar al snel werd het een kooi. Mijn wereld werd kleiner: het huis, de boodschappen, de schoolpleinmoeders. Mijn vriendinnen zag ik steeds minder; ze begrepen niet waarom ik altijd moest vragen of ik geld mocht lenen voor een lunch of bioscoopkaartje.
‘Waarom laat je hem zo met je omgaan?’ vroeg mijn zus Anouk laatst nog aan de telefoon. ‘Dit is niet normaal, Marleen.’
Maar wat is normaal? In onze buurt in Amersfoort lijkt iedereen gelukkig getrouwd. De buren lachen op straat, hun kinderen spelen samen in de tuin. Maar achter gesloten deuren weet niemand wat er echt gebeurt.
Op een avond zit ik op bed met mijn laptop op schoot. Jeroen is beneden voetbal aan het kijken; zijn stem klinkt af en toe hard door de vloer als hij tegen het scherm schreeuwt. Ik zoek naar vacatures voor parttime werk—iets in de administratie, misschien bij een tandartspraktijk of op een basisschool. Maar telkens als ik bijna op ‘solliciteer’ klik, hoor ik Jeroens stem in mijn hoofd: ‘Wie zorgt er dan voor Noor? Wie doet het huishouden? Je weet dat we het niet kunnen betalen als jij gaat werken.’
Toch kan ik niet anders dan dromen van vrijheid. Soms fantaseer ik over een klein appartementje voor mezelf en Noor, waar niemand vraagt naar bonnetjes of uitgaven. Waar ik zelf mag beslissen wat ik eet, wat ik draag, wie ik zie.
De volgende ochtend zit ik met Anouk in een café in het centrum. Ze pakt mijn hand vast over tafel. ‘Je moet echt iets doen, Marleen,’ zegt ze zacht. ‘Dit vreet je op.’
‘Ik weet het,’ fluister ik terug. ‘Maar ik ben bang. Wat als hij Noor van me afpakt? Wat als ik het financieel niet red?’
Anouk schudt haar hoofd. ‘Je bent sterker dan je denkt. En je bent niet alleen.’
Die avond probeer ik met Jeroen te praten. ‘Ik wil misschien weer gaan werken,’ begin ik voorzichtig terwijl hij zijn bord leegschuift.
Hij kijkt me aan alsof ik gek ben geworden. ‘Werk? Waarvoor? We hebben alles wat we nodig hebben.’
‘Ik wil gewoon… iets voor mezelf doen,’ zeg ik zacht.
Hij lacht schamper. ‘Jij? Je houdt het nog geen week vol.’
Zijn woorden prikken als naalden onder mijn huid. Ik slik mijn tranen weg en ruim zwijgend de tafel af.
De dagen daarna voel ik me gevangen in mijn eigen huis. Alles draait om Jeroens schema: zijn werk, zijn eten, zijn rust. Noor vraagt waarom papa altijd zo boos is als ze te hard lacht of haar bord niet leeg eet.
Op een zaterdagmiddag sta ik in de supermarkt met Noor aan mijn hand. Ik zie een moeder met haar dochtertje lachen bij het schap met koekjes; ze kiezen samen iets lekkers uit zonder te kijken naar de prijs. Ik voel tranen prikken achter mijn ogen.
Thuisgekomen vind ik Jeroen op de bank met zijn telefoon. ‘Heb je alles gehaald?’ vraagt hij zonder op te kijken.
‘Ja,’ antwoord ik kortaf.
‘Bonnetjes?’
Ik leg ze op tafel en loop snel naar boven, waar ik mezelf opsluit in de badkamer. Daar laat ik eindelijk mijn tranen stromen.
’s Nachts lig ik wakker naast Jeroen, die zacht snurkt. Ik denk aan mijn moeder, die altijd zei dat liefde vertrouwen betekent. Waar is dat vertrouwen gebleven? Wanneer ben ik mezelf kwijtgeraakt?
De volgende dag belt Anouk weer. ‘Kom bij mij logeren,’ stelt ze voor. ‘Neem Noor mee. Je hoeft hem niet alles te vertellen—zeg gewoon dat je even tijd nodig hebt.’
Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik haar voorstel overweeg. Kan ik dat maken? Kan ik zomaar weggaan?
Die avond pak ik stiekem een tas in voor Noor en mijzelf: wat kleren, tandenborstels, Noors knuffelkonijn. Mijn handen trillen zo erg dat ik bijna niet kan ritsen.
Als Jeroen even naar buiten gaat om te roken, grijp ik mijn kans. Ik trek Noor haar jas aan en fluister: ‘We gaan even naar tante Anouk toe, goed?’
Ze knikt slaperig en pakt haar konijn stevig vast.
Buiten is het koud en donker; de straatlantaarns werpen lange schaduwen over het natte asfalt. Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl we naar Anouks huis lopen—slechts drie straten verderop, maar het voelt als kilometers.
Anouk doet open en slaat haar armen om me heen. ‘Je bent veilig hier,’ fluistert ze.
Die nacht slaap ik nauwelijks; elke auto die langsrijdt doet me opschrikken. Wat als Jeroen boos wordt? Wat als hij ons komt halen?
De volgende ochtend belt hij woedend op. ‘Waar ben je? Kom onmiddellijk terug!’
‘Ik heb tijd nodig,’ zeg ik met trillende stem.
‘Als je nu niet terugkomt, kun je alles vergeten!’ schreeuwt hij.
Anouk neemt de telefoon van me over en zegt rustig: ‘Marleen blijft hier zolang ze wil.’
Na het gesprek voel ik me leeg en bang, maar ook opgelucht—voor het eerst in jaren heb ik zelf iets besloten.
De dagen bij Anouk zijn vreemd en onwennig; Noor mist haar vader en vraagt wanneer we weer naar huis gaan. Ik probeer haar gerust te stellen, maar weet zelf ook niet wat de toekomst brengt.
Langzaam begin ik te geloven dat er misschien toch een leven mogelijk is zonder Jeroens controle—een leven waarin geld geen wapen is, maar gewoon geld.
Soms kijk ik naar Noor terwijl ze speelt in Anouks tuin en vraag ik me af: heb ik haar nu gered of juist alles afgepakt wat ze kende?
En mezelf—vind ik ooit weer terug wie ik was voordat zijn portemonnee mijn gevangenis werd?
Wat zouden jullie doen? Is vluchten laf of juist moedig? Waar ligt de grens tussen volhouden en jezelf verliezen?