De Prijs van Vertrouwen: Het Geheim van de Van der Laan Villa
‘Julia, heb je het geld gezien?’ De stem van mijn moeder, scherp als een mes, galmde door de kleine keuken van onze flat in Amsterdam-Noord. Mijn handen trilden terwijl ik de vaat afdroogde. ‘Nee mam, natuurlijk niet,’ loog ik, al wist ik dat ze me niet geloofde. Ze keek me aan met die blik die ik zo goed kende – wantrouwen, vermengd met teleurstelling.
Die ochtend was ik vroeg opgestaan om naar de Van der Laan villa te gaan, een imposant grachtenpand aan de Herengracht. Ik werkte er als schoonmaakster, samen met mijn beste vriendin Sanne. We maakten altijd grapjes over de rijkdom van de familie: ‘Als je hier een euro laat vallen, vinden ze het pas na drie jaar terug,’ zei Sanne altijd. Maar vandaag voelde alles anders.
Toen ik de marmeren trap opliep, hoorde ik stemmen uit de studeerkamer. ‘Het is tijd voor een nieuwe test,’ zei meneer Van der Laan tegen zijn zoon Daan. ‘Iedereen heeft zijn prijs.’ Ik hield mijn adem in en bleef staan bij de deur. Daan zuchtte. ‘Pap, waarom doe je dit? Je jaagt iedereen weg.’
‘Omdat ik wil weten wie ik kan vertrouwen,’ antwoordde meneer Van der Laan kil. ‘Geld is de enige echte lakmoesproef.’
Ik voelde me misselijk worden. Was ik onderdeel van zijn spel? Ik probeerde het te negeren en begon met stofzuigen op de eerste verdieping. In de slaapkamer lag een envelop op de antieke houten commode. Mijn hart sloeg over toen ik het zag: €18.000, keurig geteld. Het leek alsof het geld me aankeek, me uitdaagde.
‘Julia!’ Sanne kwam binnenstormen. ‘Heb je dat geld gezien? Ze zeggen dat het een test is.’
‘Ik weet het niet,’ fluisterde ik. ‘Wat als ze ons betrappen? Wat als ze denken dat wij het pakken?’
Sanne haalde haar schouders op. ‘Laat ze maar denken. Wij zijn niet zoals de rest.’ Maar haar ogen dwaalden toch even naar de envelop.
Die avond thuis was het onrustig. Mijn moeder had gehoord dat er geld verdwenen was bij de Van der Laans – weer eens. Ze keek me aan alsof ze verwachtte dat ik het had gedaan. Mijn broertje Tom vroeg: ‘Julia, waarom werk je daar eigenlijk nog? Ze behandelen je als vuil.’
Ik wist het antwoord niet. Misschien omdat ik hoopte dat iemand me ooit zou zien voor wie ik echt was – niet alleen als schoonmaakster, maar als mens.
De volgende dag werd ik op kantoor geroepen. Meneer Van der Laan zat achter zijn bureau, zijn vingers gevouwen als een roofdier dat op zijn prooi wachtte.
‘Julia,’ begon hij langzaam, ‘je weet waarom je hier bent?’
Ik knikte.
‘Het geld is er nog,’ zei hij onverwacht. ‘Jij bent de eerste die het heeft laten liggen.’
Mijn keel voelde droog aan. ‘Ik ben hier om te werken, niet om te stelen.’
Hij glimlachte kil. ‘Dat zeggen ze allemaal, tot het moment daar is.’
Daan zat in de hoek van de kamer en keek me aan met een mengeling van bewondering en medelijden.
‘Waarom doet u dit?’ vroeg ik zacht.
Hij leunde naar voren. ‘Omdat iedereen uiteindelijk breekt, Julia. Zelfs jij.’
Die avond kon ik niet slapen. Mijn moeder bleef maar vragen stellen, Sanne stuurde bezorgde appjes en Tom was stil – te stil. Ik voelde me gevangen tussen twee werelden: die van mijn familie, die altijd worstelde om rond te komen, en die van de Van der Laans, waar geld alles leek te bepalen.
Een week later gebeurde het onvermijdelijke: het geld was verdwenen. Meneer Van der Laan riep iedereen bij elkaar.
‘Wie heeft het gedaan?’ vroeg hij streng.
Niemand zei iets. De spanning was om te snijden.
Plotseling stond Sanne op. ‘Ik heb het gedaan,’ zei ze met trillende stem.
Mijn hart stond stil. ‘Nee!’ riep ik uit. ‘Dat kan niet!’
Ze keek me aan met betraande ogen. ‘Het spijt me, Julia. Mijn moeder is ziek, we hebben het geld nodig.’
Meneer Van der Laan knikte langzaam. ‘Zie je wel? Iedereen heeft zijn prijs.’
Daan sprong op. ‘Dit is ziek! Je speelt met mensenlevens!’
Er ontstond een felle ruzie tussen vader en zoon. Daan verdedigde ons, probeerde uit te leggen dat vertrouwen niet gekocht of getest kan worden met geld.
Na afloop zat ik buiten op de stoep met Sanne naast me.
‘Waarom heb je het gedaan?’ vroeg ik zacht.
Ze haalde haar schouders op en huilde stilletjes. ‘Ik kon niet anders.’
Ik voelde woede en verdriet tegelijk – op haar, op meneer Van der Laan, op mezelf omdat ik niets had gedaan om haar te helpen.
De dagen daarna veranderde alles. Sanne werd ontslagen en verdween uit mijn leven. Mijn moeder bleef wantrouwend en Tom werd steeds stiller.
Op een dag kwam Daan naar me toe in het park.
‘Het spijt me voor alles,’ zei hij zacht.
‘Jij hoeft je niet te verontschuldigen,’ antwoordde ik bitter.
Hij keek me aan met die intense blik die ik nooit zal vergeten. ‘Misschien kunnen we samen iets veranderen.’
We spraken af om elkaar vaker te zien, om te praten over wat er mis was – niet alleen in hun familie, maar ook in de onze.
Langzaam groeide er iets tussen ons – begrip, misschien zelfs liefde – maar altijd bleef de schaduw van zijn vader tussen ons in hangen.
Nu, jaren later, kijk ik terug op die tijd en vraag ik me af: Had ik anders moeten handelen? Is vertrouwen echt zo zeldzaam geworden dat we elkaar alleen nog maar kunnen testen? Of is er toch hoop voor mensen zoals wij?