De schoonvader die onze dromen opat: Hoe ik vocht voor mijn thuis

‘Waarom staat hij alweer voor de deur, Mark?’ Mijn stem trilt terwijl ik uit het keukenraam kijk. Het is pas half vijf, maar ik zie het silhouet van je vader al op de stoep. Zijn handen diep in de zakken van zijn oude regenjas, zijn blik strak op onze voordeur gericht.

Mark zucht. ‘Hij heeft niemand meer, Sanne. Je weet hoe eenzaam hij is sinds mama er niet meer is.’

‘Dat weet ik,’ fluister ik, ‘maar dit is de vierde dag op rij. Ik heb amper boodschappen gedaan, en hij eet alles op. Gisteren nog…’

De deurbel onderbreekt mijn woorden. Mijn hart bonkt in mijn keel. Ik veeg mijn handen af aan een theedoek en probeer mijn gezicht in de plooi te houden. Mark loopt naar de gang, zijn schouders hangen.

‘Hoi pap,’ klinkt zijn stem vlak.

‘Zo, daar ben ik weer!’ De stem van mijn schoonvader, Henk, vult het huis alsof hij het bezit. Hij ruikt naar natte hond en sigarettenrook. ‘Wat eten we vanavond?’

Ik probeer te glimlachen. ‘Aardappels, bloemkool en een stukje kip.’

‘Lekker! Heb je ook nog wat bier koud staan?’

Mark kijkt me aan, zijn blik vol excuses. Ik knik zwijgend en pak een flesje uit de koelkast. Henk ploft neer aan tafel, trekt zijn jas niet eens uit.

‘Weet je nog, Mark, toen jij klein was en je moeder altijd die bloemkool te gaar kookte? Man, wat kon ze zeuren over eten.’

Ik voel hoe mijn kaken zich spannen. Elke herinnering die Henk ophaalt, lijkt een dolk in mijn rug. Alsof ik nooit goed genoeg zal zijn voor hem – of voor Mark.

Het eten verloopt zoals altijd: Henk schept als eerste op, neemt het grootste stuk kip en laat nauwelijks iets over voor ons. Hij praat luid, lacht om zijn eigen grappen en vraagt niet één keer hoe het met mij gaat. Mark zwijgt en prikt in zijn eten.

Na het eten schuift Henk zijn bord weg en kijkt naar mij. ‘Koffie?’

‘Natuurlijk,’ zeg ik, terwijl ik de afwas begin te doen. Mijn handen trillen zo erg dat ik bijna een bord laat vallen.

Die avond lig ik wakker naast Mark. Ik voel zijn ademhaling, zwaar en onrustig.

‘We moeten praten,’ fluister ik.

Hij draait zich naar me toe. ‘Ik weet het, Sanne. Maar wat moet ik dan? Hem buiten laten staan? Hij is mijn vader.’

‘En ik dan? Ben ik niet ook je familie? Dit is óns huis. Ik voel me hier niet meer thuis.’

Mark zwijgt. In het donker lijken zijn ogen nat te glinsteren.

De dagen erna verandert er niets. Henk komt elke dag, soms zelfs met een plastic tas vol vuile was die hij in onze machine gooit zonder te vragen. Hij moppert over de televisie, over het eten, over de buren die volgens hem te hard praten.

Op een zaterdagmiddag barst ik uit elkaar. Henk heeft net de laatste yoghurt uit de koelkast gepakt en eet hem op uit de verpakking, terwijl hij met zijn voeten op onze salontafel ligt.

‘Henk, kun je alsjeblieft je voeten van tafel halen?’ Mijn stem klinkt schor.

Hij kijkt me aan alsof ik gek ben. ‘Wat maakt dat nou uit? Het is maar een tafel.’

‘Het is míjn tafel,’ zeg ik zacht maar fel.

Mark springt ertussen. ‘Sanne…’

‘Nee Mark! Dit gaat zo niet langer! Ik voel me hier niet meer veilig, niet meer gezien! Dit is niet jouw huis alleen, dit is ook mijn thuis!’

Henk lacht schamper. ‘Ach meisje, stel je niet zo aan.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik ben geen meisje meer, Henk. Ik ben je schoondochter. En ik wil dat je ons huis respecteert.’

Het blijft stil. Zelfs Mark zegt niets.

Die avond pak ik mijn jas en ga naar buiten. De regen slaat tegen mijn gezicht als ik door de lege straten loop. Mijn hoofd bonkt van woede en verdriet.

Mijn moeder belt me als ik op een bankje bij het park zit.

‘Sanne? Waar ben je? Je klinkt zo gespannen.’

Ik vertel haar alles – over Henk, over Mark die geen kant kiest, over hoe klein ik me voel in mijn eigen huis.

Ze zucht diep. ‘Liefje… soms moet je kiezen voor jezelf. Ook al doet dat pijn.’

Als ik thuiskom is het huis stil. Mark zit op de bank, zijn hoofd in zijn handen.

‘Het spijt me,’ zegt hij zacht als ik binnenkom.

‘Ik wil niet kiezen tussen jou en mijn vader.’

‘Dat vraag ik ook niet,’ zeg ik moeizaam. ‘Maar ik wil wel dat jij voor óns kiest – voor onze toekomst.’

De volgende dag zit Henk weer aan tafel als ik beneden kom.

‘Zo Sanne! Heb je lekker geslapen?’ Zijn stem klinkt opgewekt, maar zijn ogen glijden snel weg als hij mijn gezicht ziet.

Ik ga tegenover hem zitten.

‘Henk,’ begin ik, ‘ik wil iets met je bespreken.’

Hij fronst zijn wenkbrauwen.

‘Je bent altijd welkom hier, maar niet elke dag. We hebben ook tijd nodig voor onszelf – voor ons gezin.’

Hij lacht ongemakkelijk. ‘Jullie zijn toch jong, wat moet je nou met al die tijd samen?’

‘Dat bepaal ik zelf wel,’ zeg ik vastberaden.

Mark komt naast me zitten en pakt mijn hand vast.

‘Pap… Sanne heeft gelijk. We houden van je, maar we moeten ook aan onszelf denken.’

Het gezicht van Henk vertrekt even – gekrenkt, misschien zelfs boos – maar dan knikt hij langzaam.

‘Misschien heb je gelijk,’ mompelt hij uiteindelijk.

Die avond eten we voor het eerst in weken met z’n tweeën. Het voelt vreemd en leeg zonder Henks luide stem, maar ook rustig – als thuiskomen na een lange reis.

Toch blijft er iets knagen. Schuldgevoel? Opluchting? Of allebei?

Soms hoor ik nog steeds Henks stem in mijn hoofd: ‘Ach meisje, stel je niet zo aan.’ Maar nu weet ik: soms moet je wél voor jezelf opkomen – zelfs als dat betekent dat je iemand teleurstelt die je liefhebt.

Is het egoïstisch om grenzen te stellen binnen je eigen familie? Of is dat juist de enige manier om samen gelukkig te blijven? Wat zouden jullie doen als jullie in mijn schoenen stonden?