Dertig jaar samen, en toen bleef ik alleen: Het verhaal van een verlaten vrouw
‘Hoe kun je dit doen, Kees? Dertig jaar samen, en dan… dit?’ Mijn stem trilde, mijn handen klemden zich om de rand van het aanrecht. Kees stond daar, zijn jas al aan, zijn blik op de grond. ‘Het spijt me, Marjan. Ik kan niet anders. Ik ben niet gelukkig meer.’
Die woorden galmen nog steeds na in mijn hoofd, maanden nadat hij ze uitsprak. Het was een regenachtige donderdagavond in maart. De kinderen waren het huis uit, de hond lag te slapen in zijn mand. Alles leek gewoon, tot dat moment. Dertig jaar huwelijk, drie kinderen, een huis in Amersfoort vol herinneringen – en ineens was alles weg. Of nee, niet weg. Alles bleef, behalve Kees.
De dagen erna voelde ik me als een schim in mijn eigen leven. Ik liep door het huis en raakte elk voorwerp aan: de foto’s op de schouw, het servies dat we samen uitzochten op onze eerste vakantie in Zeeland, de jas van Kees die nog aan de kapstok hing. ‘Waarom?’ vroeg ik mezelf steeds weer. ‘Waarom nu? Waarom zij?’
Het nieuws sloeg in als een bom bij onze kinderen. Anneke belde me huilend op. ‘Mam, hoe kan papa dit doen? Wat moeten we nu?’ Ruben kwam langs en sloeg zijn armen om me heen zonder iets te zeggen. Alleen onze jongste, Lotte, bleef stil. Ze stuurde een kort appje: ‘Sterkte mam.’ Daarna hoorde ik dagen niets van haar.
De familie reageerde verdeeld. Mijn zus Ingrid kwam meteen langs met een pan soep en haar bekende nuchterheid. ‘Je moet niet bij de pakken neerzitten, Marjan. Je bent sterker dan je denkt.’ Maar mijn moeder – altijd al meer op Kees gesteld dan op mij – zei alleen: ‘Misschien had je wat meer moeite moeten doen om het spannend te houden.’ Die woorden deden meer pijn dan ik wilde toegeven.
De eerste weken na zijn vertrek waren een waas van verdriet en ongeloof. Ik sliep nauwelijks, at amper en kon me nergens toe zetten. Op een avond zat ik aan de keukentafel met een glas wijn en staarde naar de lege stoel tegenover me. Ik hoorde de klok tikken en voelde hoe de stilte zich als een zware deken over me heen legde.
Op een dag stond Kees ineens weer voor de deur. ‘Ik kom mijn spullen halen,’ zei hij zonder me aan te kijken. Ik voelde woede opborrelen. ‘Was het allemaal dan zo makkelijk weg te gooien? Dertig jaar?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het is niet makkelijk, Marjan. Maar het is beter zo.’
Ik wilde schreeuwen, hem slaan, hem smeken om terug te komen – alles tegelijk. Maar ik deed niets. Ik keek toe hoe hij zijn kleren inpakte, zijn boeken uit de kast haalde, zelfs zijn oude gitaar meenam die hij al jaren niet meer had aangeraakt.
Na zijn vertrek bleef ik achter met vragen waar niemand antwoord op had. Wat had ik gemist? Was ik te saai geworden? Had ik hem vanzelfsprekend gevonden? De onzekerheid vrat aan me.
Langzaam probeerde ik mijn leven weer op te pakken. Ik ging vaker wandelen in het bos bij Soestduinen, probeerde nieuwe recepten uit (al smaakte niets zoals vroeger), en meldde me aan voor een schildercursus in het buurthuis. Daar ontmoette ik andere vrouwen met soortgelijke verhalen: verlaten, bedrogen, opnieuw beginnend.
Toch bleef het moeilijk met de kinderen. Anneke koos duidelijk partij voor mij en weigerde haar vader te spreken. Ruben probeerde neutraal te blijven, maar ik zag hoe hij worstelde met zijn loyaliteit. Lotte trok zich steeds verder terug; ze kwam nauwelijks nog thuis en reageerde kortaf op mijn berichten.
Op een avond belde Anneke boos op: ‘Mam, Lotte is bij papa ingetrokken! Ze wil niks meer met jou te maken hebben.’ Mijn hart brak opnieuw. Hoe kon mijn eigen dochter mij zo laten vallen?
Ik besloot haar op te zoeken in Utrecht, waar ze nu samenwoonde met haar vriend én haar vader in de buurt had. Toen ze de deur opendeed keek ze me koel aan. ‘Wat kom je doen?’
‘Ik wil praten, Lotte. Begrijpen waarom je zo boos bent.’
Ze haalde haar schouders op. ‘Jij bent altijd zo dramatisch geweest, mam. Misschien was papa er ook wel klaar mee.’
Die woorden sneed harder dan alles wat Kees ooit gezegd had. Ik liep terug naar het station met tranen in mijn ogen en voelde me leger dan ooit.
De maanden sleepten zich voort. De feestdagen kwamen eraan – voor het eerst zonder Kees aan tafel. Anneke kwam met haar gezin, Ruben at snel mee en vertrok weer vroeg naar zijn vriendin. Lotte stuurde alleen een kaartje: ‘Fijne kerst.’
Op oudejaarsavond zat ik alleen voor het raam naar het vuurwerk te kijken. De stilte was oorverdovend. Ik dacht aan vroeger: hoe we samen proosten op het nieuwe jaar, hoe Kees altijd oliebollen bakte met de kinderen.
Langzaam begon ik te beseffen dat ik niet kon blijven hangen in wat geweest was. Ik moest verder – voor mezelf, niet voor Kees of de kinderen.
Ik ging vaker naar de schildercursus en raakte bevriend met Els, een weduwe die haar man aan kanker had verloren. We praatten urenlang over verlies en opnieuw beginnen. Samen gingen we naar musea in Amsterdam en dronken koffie op terrasjes aan de gracht.
Toch bleef het gemis knagen. Op een dag kreeg ik een brief van Kees – geen e-mail of appje, maar een echte brief in zijn herkenbare handschrift.
‘Lieve Marjan,
Ik weet dat ik je veel pijn heb gedaan en daar heb ik spijt van. Maar ik hoop dat je ooit weer gelukkig wordt – met of zonder mij in je leven.
Groet,
Kees’
Ik huilde toen ik het las – niet om hem, maar om alles wat verloren was gegaan.
Nu, ruim een jaar later, ben ik nog steeds alleen – maar niet meer verloren. Ik heb geleerd dat verdriet niet verdwijnt, maar langzaam verandert in iets draaglijks. Anneke komt weer vaker langs, Ruben belt elke week en zelfs Lotte stuurde laatst een foto van haar nieuwe kat.
Soms vraag ik me af: Had ik iets anders kunnen doen? Was het onvermijdelijk dat we uit elkaar groeiden? Of is dit gewoon het leven – vol onverwachte wendingen en pijnlijke keuzes?
Misschien is dat wat ons menselijk maakt: dat we ondanks alles toch weer opstaan en verder gaan.
Wat zouden jullie doen als je na dertig jaar ineens alleen achterblijft? Zou je kunnen vergeven? Of blijft het verdriet altijd tussen jou en de mensen van wie je houdt?