Een Bitter Feest: Het Onvertelde Verhaal van Marieke
‘Dus jij denkt dat geld aan de bomen groeit, Marieke?’ De stem van mijn man, Erik, sneed door de stilte van onze kleine keuken in Amersfoort. Ik keek hem aan, zijn ogen donker van vermoeidheid en frustratie. Mijn handen trilden terwijl ik het boodschappenlijstje vasthield. ‘Ik vraag alleen om wat extra voor de verjaardag van Lotte. Ze wordt tien, Erik. Tien!’
Hij sloeg met zijn vuist op tafel. ‘We hebben het geld niet! Je weet hoe het is sinds ik mijn baan kwijt ben. Jij werkt parttime in de zorg, ik pak alles aan wat ik kan, maar het is niet genoeg.’
Mijn dochtertje Lotte stond in de deuropening, haar grote blauwe ogen vol hoop en angst. Ze zei niets, maar haar blik brandde in mijn rug. Ik voelde me schuldig, alsof ik haar verjaardag al verpest had voordat hij begonnen was.
Die avond lag ik wakker in bed, luisterend naar het zachte gesnurk van Erik. Mijn gedachten maalden: hoe was het zover gekomen? Vroeger hadden we het goed. Erik werkte als monteur bij de NS, ik als verpleegkundige in het Meander Medisch Centrum. We hadden genoeg voor een vakantie naar Texel, nieuwe fietsen voor de kinderen, zelfs af en toe uit eten bij Van der Valk. Maar toen kwam de reorganisatie, en Erik stond ineens op straat. Mijn contract werd teruggeschroefd naar twintig uur per week. De vaste lasten bleven, de rekeningen stapelden zich op.
‘Mam?’ Lotte stond naast mijn bed. ‘Kan ik bij jou liggen?’
Ik schoof opzij en sloeg mijn arm om haar heen. Haar lijfje was koud. ‘Maak je geen zorgen om morgen, lieverd,’ fluisterde ik. ‘We maken er iets moois van.’
De volgende ochtend probeerde ik opgewekt te doen terwijl ik Lotte’s haar invlocht. ‘Wat wil je doen op je verjaardag?’ vroeg ik.
‘Maakt niet uit,’ zei ze zacht. ‘Als we maar samen zijn.’
Mijn hart brak een beetje. Ik dacht aan mijn eigen jeugd in Utrecht, waar verjaardagen altijd groot waren: slingers, taart, familie die binnenstroomde met cadeaus. Mijn moeder, Ria, was een sterke vrouw die alles regelde, zelfs toen mijn vader vertrok. Maar nu voelde ik me zwakker dan ooit.
De bel ging. Mijn moeder stond voor de deur met een doos gebakjes en een enveloppe. ‘Gefeliciteerd, meisje!’ riep ze uit tegen Lotte. Ze keek mij aan en trok haar wenkbrauwen op toen ze de kale woonkamer zag.
‘Waar zijn de slingers?’ vroeg ze fluisterend.
‘Geen geld voor gehad,’ mompelde ik.
Ze zuchtte diep en legde haar hand op mijn arm. ‘Je moet me laten helpen, Marieke.’
‘Nee mam,’ zei ik felder dan bedoeld. ‘We redden het wel.’
Maar dat was niet waar. Die middag kwam mijn schoonzus Karin langs met haar kinderen. Ze had een dure jas aan en gaf Lotte een groot cadeau: een nieuwe tablet. Ik voelde me klein naast haar zelfverzekerdheid en haar achteloze manier van praten over hun vakantie naar Frankrijk.
‘Hoe gaat het nou met jullie?’ vroeg ze terwijl ze haar koffie roerde.
‘Goed hoor,’ loog ik.
Erik kwam binnen en keek naar het cadeau op tafel. Zijn gezicht vertrok even, maar hij zei niets. Later die avond barstte hij los.
‘Waarom laat je haar zulke dure cadeaus geven? Straks denkt Lotte dat wij niet genoeg doen!’
‘Misschien doen we ook niet genoeg!’ schreeuwde ik terug voordat ik het doorhad.
Het werd stil. Lotte zat boven te huilen. Ik voelde me schuldig, boos, machteloos tegelijk.
Die nacht besloot ik iets te doen wat ik nooit eerder had overwogen: ik zou hulp vragen bij de voedselbank. De volgende ochtend fietste ik erheen, mijn handen klam van schaamte. In de wachtruimte zat een vrouw met een hoofddoek naast een oudere man met een verweerd gezicht. Iedereen keek naar beneden.
Een vrijwilliger kwam naar me toe. ‘Welkom,’ zei ze zacht. ‘Je bent niet alleen.’
Ik brak bijna toen ze dat zei.
Thuis vertelde ik Erik wat ik had gedaan. Hij werd eerst woedend – zijn trots was gekrenkt – maar uiteindelijk gaf hij toe dat we geen keuze hadden.
Langzaam veranderde er iets in ons huis. We hadden nog steeds weinig geld, maar er kwam lucht: minder stress over boodschappen, af en toe iets extra’s voor Lotte en haar broertje Bram.
Toch bleef het knagen als familie of vrienden vroegen hoe het ging. Op een dag belde Karin weer.
‘We hebben gehoord dat jullie bij de voedselbank lopen,’ zei ze zonder omwegen.
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.
‘En?’ vroeg ik scherp.
‘Niks hoor,’ zei ze snel. ‘Maar als je hulp nodig hebt…’
‘We redden ons wel,’ beet ik haar toe.
Maar ’s avonds huilde ik in stilte in de badkamer.
Op een dag kwam Lotte thuis met een briefje van school: of we wilden bijdragen aan het schoolreisje naar Madurodam. Ik keek naar het bedrag – vijftig euro – en wist dat we dat niet konden missen.
Ik belde de juf, mevrouw Jansen.
‘Het spijt me,’ zei ik zacht, ‘maar we kunnen het niet betalen.’
Ze was begripvol en regelde dat Lotte toch mee kon.
Toch voelde ik me steeds meer buitenstaander in mijn eigen leven: verjaardagen zonder slingers, vakanties zonder bestemming, altijd rekenen en tellen.
Op een dag kwam Erik thuis met goed nieuws: hij had een vaste baan gevonden bij een fietsenwinkel in de stad. Het was geen vetpot, maar het gaf hoop.
Langzaam klommen we uit het dal. We konden weer eens naar de bioscoop, kochten tweedehands fietsen voor de kinderen en nodigden vrienden uit voor koffie.
Maar de littekens bleven: schaamte om hulp te vragen, angst voor nieuwe tegenslagen, onzekerheid over de toekomst.
Nu zit ik hier aan dezelfde keukentafel waar alles begon en kijk naar Lotte die haar huiswerk maakt. Ze lacht weer vaker – en dat is misschien wel het grootste cadeau van allemaal.
Soms vraag ik me af: hoeveel gezinnen zoals wij zijn er nog? En waarom praten we zo weinig over armoede in Nederland? Misschien moeten we onze schaamte doorbreken – want niemand verdient het om zich zo alleen te voelen.