Een telefoontje in de nacht: De waarheid achter het ongeluk van mijn man

‘Mevrouw De Vries? U moet zo snel mogelijk naar het ziekenhuis komen. Uw man is betrokken geweest bij een ernstig ongeluk.’

Die woorden galmen nog steeds na in mijn hoofd, zelfs nu – maanden later. Het was 02:13 uur toen mijn telefoon ging. Ik lag net wakker te woelen, zoals zo vaak de laatste tijd. Jeroen was nog niet thuis, maar dat was niet ongewoon. Zijn werk als vrachtwagenchauffeur bracht hem vaak laat thuis. Maar deze nacht voelde anders. Er hing iets in de lucht, een onverklaarbare onrust.

Ik sprong uit bed, trok haastig een spijkerbroek en trui aan en rende de trap af. Mijn dochtertje, Lotte, sliep gelukkig door het lawaai heen. In de auto naar het ziekenhuis trilden mijn handen zo erg dat ik nauwelijks het stuur vast kon houden. Mijn gedachten tolden: Wat als hij dood is? Wat als ik hem nooit meer zie? Waarom was hij zo laat?

In het ziekenhuis wachtte mijn schoonzus, Marieke, al op me. Haar ogen waren rood van het huilen. ‘Ze weten niet of hij het haalt,’ fluisterde ze. Ik voelde hoe de grond onder mijn voeten wegzakte.

De arts kwam naar ons toe. ‘Mevrouw De Vries? Uw man ligt op de intensive care. Hij is buiten levensgevaar, maar hij heeft zwaar hoofdletsel en meerdere botbreuken.’

Ik wilde naar hem toe rennen, hem vasthouden, maar ik mocht alleen even bij hem zitten. Zijn gezicht was bijna onherkenbaar door de zwellingen en blauwe plekken. Ik pakte zijn hand vast. ‘Jeroen… waarom?’

De dagen erna waren een waas van ziekenhuisbezoeken, telefoontjes met familie en het regelen van opvang voor Lotte. Mijn schoonouders kwamen uit Groningen over en namen tijdelijk bij ons in huis hun intrek. Dat zorgde meteen voor spanning: mijn schoonmoeder vond dat ik te weinig deed voor Jeroen, terwijl ik juist alles probeerde te regelen.

‘Je moet sterker zijn, Eva,’ zei ze op een avond terwijl ze de afwas deed. ‘Jeroen heeft je nu nodig.’

‘Ik doe alles wat ik kan!’ snauwde ik terug. ‘Ik slaap nauwelijks, ik zorg voor Lotte, ik regel alles in huis én ik ben elke dag bij hem.’

Ze keek me aan met die kille blik die ik zo goed kende. ‘Misschien had je beter op hem moeten letten.’

Die woorden staken als messen. Alsof het mijn schuld was.

Na een week werd duidelijk dat Jeroen voorlopig niet wakker zou worden. De politie kwam langs om vragen te stellen over het ongeluk. ‘We hebben aanwijzingen dat uw man niet alleen in de auto zat,’ zei de agent.

‘Wat bedoelt u?’ vroeg ik verbaasd.

‘Er zijn sporen gevonden van een tweede persoon. We onderzoeken wie dat geweest kan zijn.’

Mijn hart sloeg over. Wie zat er bij Jeroen in de auto? Waarom wist ik hier niets van?

Ik begon te graven in zijn telefoon, zijn e-mails – iets wat ik nooit eerder gedaan had. En toen vond ik het: berichten van een onbekend nummer, hartjes, afspraken in de avonduren. Mijn maag draaide om.

‘Wie is Sanne?’ vroeg ik aan Marieke toen we samen koffie dronken in de ziekenhuiskantine.

Ze keek weg. ‘Ik weet niet of ik dit moet zeggen…’

‘Vertel het me gewoon!’

‘Jeroen had al een tijdje contact met haar. Ze werkt bij hem op het depot.’

Alles viel op zijn plek: de late diensten, de plotselinge vergaderingen, zijn afstandelijkheid thuis.

De politie bevestigde later dat Sanne inderdaad bij hem in de auto had gezeten die nacht. Ze was er met lichte verwondingen vanaf gekomen en had verklaard dat Jeroen haar naar huis bracht na een borrel met collega’s.

Mijn wereld stortte in.

Thuis barstte de bom tussen mij en mijn schoonouders. ‘Jij hebt dit laten gebeuren!’ schreeuwde mijn schoonmoeder terwijl ze haar koffers pakte om terug naar Groningen te gaan. ‘Als jij een betere vrouw was geweest…’

‘Hou op! Dit is niet mijn schuld! Jullie zoon heeft gelogen! Aan mij, aan jullie, aan iedereen!’

Lotte stond huilend in de deuropening. Ik trok haar tegen me aan en probeerde haar gerust te stellen, maar hoe kon ik haar troosten als ik zelf kapot was?

De weken sleepten zich voort. Jeroen lag nog steeds in coma; Sanne kwam niet meer opdagen op haar werk en niemand wist waar ze was gebleven. Ik voelde me verscheurd tussen woede en verdriet.

Op een dag zat ik aan Jeroens bed toen zijn hand plotseling bewoog. Zijn ogen gingen langzaam open.

‘Eva…?’ fluisterde hij zwak.

Ik slikte mijn tranen weg. ‘Ja, ik ben hier.’

‘Het spijt me…’

‘Waarom heb je het gedaan?’ vroeg ik zacht.

Hij draaide zijn hoofd weg en sloot zijn ogen weer.

De weken daarna volgden gesprekken met maatschappelijk werkers, artsen en uiteindelijk ook met Jeroen zelf toen hij weer kon praten. Hij gaf toe dat hij gevoelens had gekregen voor Sanne, maar dat hij nooit van plan was geweest mij te verlaten.

‘Het liep gewoon uit de hand,’ zei hij met gebroken stem.

Ik wist niet of ik hem kon vergeven.

Onze familie viel uit elkaar: mijn schoonouders spraken niet meer met mij; Marieke koos partij voor haar broer; Lotte werd stiller en trok zich terug op haar kamer.

Op een avond zat ik alleen aan de keukentafel met een glas wijn en vroeg ik me af: hoe ga je verder na zo’n verraad? Hoe bouw je je leven opnieuw op als alles wat je kende op losse schroeven staat?

Soms vraag ik me af of ik ooit nog iemand volledig kan vertrouwen – zelfs mezelf niet meer.

Wat zou jij doen als je leven in één nacht voorgoed verandert? Zou je kunnen vergeven? Of is er een grens aan wat een mens kan verdragen?