Elke keer als mijn schoonzoon thuiskomt, moet ik verdwijnen: Het verhaal van een oma uit Utrecht
‘Riet, kun je alsjeblieft even naar boven gaan? Sander is bijna thuis.’
De stem van mijn dochter Marloes klinkt zacht, bijna verontschuldigend, maar de woorden snijden als messen door mijn hart. Ik zit met Bram op schoot, zijn kleine handje in het mijne. Hij kijkt me vragend aan, zijn blauwe ogen vol onschuld. ‘Oma, ga je weer verstoppen?’ vraagt hij fluisterend.
Ik slik. ‘Ja lieverd, oma moet even naar boven. Maar straks kom ik weer terug, goed?’
Bram knikt en drukt zijn hoofdje tegen mijn borst. Ik ruik zijn haar, die typische geur van kind en zomer en hoop. Maar de hoop verdwijnt elke keer als ik de trap oploop naar de logeerkamer, waar ik stilletjes wacht tot Sander weer vertrekt. Mijn hart bonkt in mijn keel. Hoe is het zover gekomen?
Vroeger was het anders. Toen Marloes zwanger was, was ik haar steun en toeverlaat. We woonden samen in een rijtjeshuis in Utrecht-Overvecht, na de scheiding van haar vader. We hadden niet veel, maar we hadden elkaar. Ik werkte parttime in de bibliotheek en paste op Marloes’ zoontje zodra hij geboren werd. Bram was mijn zonnetje, het kind dat ik nooit had durven dromen na alle ellende met Marloes’ vader.
Toen kwam Sander in haar leven. Een keurige man uit Zeist, altijd netjes in pak, altijd beleefd maar afstandelijk. In het begin dacht ik dat hij gewoon verlegen was. Maar naarmate hun relatie vorderde, merkte ik dat hij mij liever niet om zich heen had. Hij vond me te aanwezig, te bemoeizuchtig misschien. Marloes probeerde het goed te praten: ‘Mam, hij is gewoon niet zo van familie.’
Maar het werd erger na hun huwelijk. Sander stelde voor dat ik bij hen bleef wonen – zogenaamd om op Bram te passen – maar langzaam veranderde mijn rol van geliefde oma in een soort onzichtbare huisgenoot. Elke keer als Sander thuiskwam van zijn werk, moest ik verdwijnen. Eerst uit de woonkamer, later zelfs uit de keuken. Soms voelde het alsof ik een indringer was in mijn eigen huis.
‘Waarom mag oma niet bij ons eten?’ vroeg Bram op een avond.
Sander keek hem strak aan. ‘Omdat grote mensen soms tijd voor zichzelf nodig hebben.’
Marloes keek weg. Ik voelde me vernederd, maar hield me stil omwille van Bram.
De dagen werden weken, de weken maanden. Mijn wereld werd kleiner en kleiner. Ik mocht alleen nog naar beneden als Sander er niet was. Soms hoorde ik hem beneden praten over mij – ‘Ze moet echt leren haar plek te kennen’ – en dan kneep ik mijn ogen dicht tot de tranen kwamen.
Op een dag kwam Bram huilend naar boven gerend. ‘Oma! Papa zegt dat je weg moet!’
Ik trok hem tegen me aan. ‘Maak je geen zorgen lieverd, oma blijft bij jou.’ Maar diep vanbinnen wist ik dat het niet waar was.
Die avond zat Marloes op mijn bed. Haar gezicht was bleek, haar ogen rood van het huilen.
‘Mam,’ begon ze aarzelend, ‘Sander wil dat je een eigen plek zoekt. Hij zegt dat het beter is voor iedereen.’
‘En wat wil jij?’ vroeg ik zacht.
Ze zweeg lang. ‘Ik weet het niet meer,’ fluisterde ze uiteindelijk.
Die nacht lag ik wakker, luisterend naar het zachte gesnurk van Bram in de kamer naast me. Mijn hart brak bij de gedachte hem achter te moeten laten. Maar wat kon ik doen? Ik had geen spaargeld, geen familie meer behalve Marloes en Bram.
De weken daarna probeerde ik een kamer te vinden via Woningnet, maar de wachttijden waren eindeloos. Ik voelde me steeds meer een lastpost in huis. Sander negeerde me volledig of maakte snijdende opmerkingen als ‘Sommige mensen weten niet wanneer ze moeten vertrekken.’
Op een middag zat ik met Bram in het parkje achter ons huis. Hij plukte madeliefjes en vlocht ze tot een krans voor mij.
‘Oma, ga je echt weg?’ vroeg hij opeens.
Ik slikte en knikte langzaam. ‘Ja lieverd, maar ik blijf altijd dichtbij.’
Hij gooide zich huilend in mijn armen. ‘Ik wil niet dat je weggaat!’
Mijn hart brak opnieuw. Hoe kon ik hem uitleggen dat volwassenen soms keuzes maken die kinderen nooit zouden mogen begrijpen?
De dag van mijn vertrek kwam sneller dan verwacht. Marloes had een tijdelijke kamer voor me gevonden bij een vriendin in Kanaleneiland. Ik pakte mijn spullen in stilte, terwijl Bram aan mijn rok hing.
‘Mag ik bij jou logeren?’ vroeg hij snikkend.
‘Natuurlijk,’ fluisterde ik, al wist ik dat Sander dat nooit zou toestaan.
Toen ik de deur achter me dichttrok, voelde het alsof ik alles verloor wat me lief was. Mijn dochter, mijn kleinzoon, mijn thuis.
In de weken die volgden probeerde ik contact te houden met Bram via WhatsApp en af en toe een bezoekje als Sander er niet was. Maar het werd steeds moeilijker; Sander verbood zelfs telefoontjes als hij thuis was.
Op een dag kreeg ik een berichtje van Marloes: ‘Bram is ziek en vraagt naar jou.’
Ik stond binnen tien minuten voor hun deur. Sander deed open en keek me kil aan.
‘Wat kom je doen?’
‘Ik wil Bram zien,’ zei ik vastberaden.
Hij zuchtte diep en liet me binnen zonder iets te zeggen.
Bram lag bleekjes op de bank, zijn ogen lichtten op toen hij me zag.
‘Oma!’ riep hij zwakjes.
Ik knielde naast hem en streelde zijn haar.
‘Blijf je bij mij?’ vroeg hij hoopvol.
Ik keek naar Marloes, die haar hoofd afwendde.
‘Voor altijd,’ fluisterde ik, al wist ik dat het een leugen was.
Die avond liep ik terug naar mijn kamer in Kanaleneiland met lood in mijn schoenen. Ik voelde me leeg en verslagen. Was dit nu ouder worden? Onzichtbaar worden voor degenen van wie je het meest houdt?
Soms droom ik dat Bram op een dag voor mijn deur staat, groot en sterk en vol liefde voor zijn oma die altijd voor hem klaarstond. Maar misschien is dat slechts een droom.
Waarom moeten we kiezen tussen liefde en loyaliteit? En hoeveel pijn kan een hart verdragen voordat het breekt?