Elke vrijdagavond breekt mijn hart: Het verhaal van een schoondochter die vecht voor haar plek in haar eigen huis

‘Weet je wel wat je doet, Anne?’ De stem van mijn schoonmoeder, Gerda, galmt nog na in de gang terwijl ze haar jas ophangt. Ik hoor het geritsel van plastic tassen – weer heeft ze boodschappen meegenomen, alsof ik niet zelf voor mijn gezin kan zorgen. Mijn man, Jeroen, glimlacht ongemakkelijk en probeert de spanning te breken. ‘Mam, laat Anne nou gewoon even.’ Maar Gerda kijkt hem aan met die blik die alles zegt: zij weet het beter.

Elke vrijdagavond is het hetzelfde ritueel. Mijn schoonouders komen uit Amersfoort naar ons appartement in Utrecht. Ze blijven tot zondagavond. Het begon als een gezellig weekendje samen zijn, maar is veranderd in een verstikkende routine waar ik niet uit lijk te kunnen ontsnappen. Mijn hartslag versnelt elke keer als ik hun auto zie parkeren voor het raam.

‘Je had de stoofpot anders moeten kruiden,’ zegt Gerda terwijl ze haar vork neerlegt. ‘Vroeger maakte ik het altijd met laurier en kruidnagel. Jeroen houdt daar van, toch?’ Ze kijkt hem aan, op zoek naar bevestiging. Jeroen knikt zwijgend, zijn ogen op zijn bord gericht. Mijn handen trillen onder tafel. Ik voel me een indringer in mijn eigen keuken.

Na het eten ruimt Gerda alles op, haar manier. Ze herschikt de pannen in de kast, zet de glazen anders neer. ‘Zo is het handiger,’ zegt ze zonder op te kijken. Mijn schoonvader, Henk, zet de televisie aan en vraagt of Ajax al speelt. Ik probeer een gesprek te beginnen over mijn werk – ik ben docent Nederlands op een middelbare school – maar Henk luistert niet. Gerda onderbreekt me: ‘Heb je al nagedacht over kinderen? Je wordt ook niet jonger, hè.’

Die vraag snijdt dieper dan ze weet. Jeroen en ik proberen al twee jaar zwanger te raken. Elke maand is een teleurstelling die ik alleen draag, want Jeroen praat er liever niet over. ‘Het komt wel goed,’ zegt hij altijd, maar zijn blik ontwijkt de mijne.

Op zaterdagmorgen word ik wakker van het geluid van pannen in de keuken. Gerda is al bezig met het ontbijt. De geur van gebakken spek vult het huis – iets wat ik nooit eet, maar zij vindt dat het erbij hoort. Ik sluip naar de badkamer om even alleen te zijn. In de spiegel zie ik wallen onder mijn ogen en een blik die ik niet herken.

‘Je moet wat meer slapen, Anne,’ zegt Gerda als ik aan tafel kom. ‘Je ziet er moe uit.’

‘Ik slaap prima,’ lieg ik.

Jeroen leest de krant en zegt niets. Soms vraag ik me af of hij überhaupt ziet wat dit met mij doet.

Na het ontbijt wil ik even wandelen om frisse lucht te halen. ‘Ik ga wel mee,’ zegt Gerda meteen. We lopen door het park en zij praat onafgebroken over haar jeugd in Hilversum, over hoe zij alles zelf moest doen zonder hulp van haar schoonmoeder. Ik knik en glimlach, maar voel me steeds kleiner worden.

Thuisgekomen tref ik Henk en Jeroen op de bank aan, verdiept in een voetbalwedstrijd. Ik ga naar de slaapkamer en sluit de deur achter me. Even huil ik zachtjes in mijn kussen. Waarom kan ik niet gewoon zeggen wat ik voel? Waarom laat ik dit gebeuren?

Zondagmiddag is het altijd hetzelfde toneelstukje: Gerda en Henk pakken hun spullen en bedanken ons voor het ‘heerlijke weekend’. Gerda kust me op de wang en fluistert: ‘Je doet het goed, hoor.’ Maar haar ogen zeggen iets anders.

Als de deur eindelijk dichtvalt en hun auto wegrijdt, voel ik me leeg en schuldig tegelijk. Jeroen komt naast me zitten op de bank.

‘Het was toch gezellig?’ vraagt hij voorzichtig.

Ik wil schreeuwen dat het allesbehalve gezellig was, dat ik mezelf verlies in deze weekenden, dat ik niet weet hoe lang ik dit nog volhoud. Maar ik knik alleen en glimlach flauwtjes.

De weken verstrijken en elke vrijdagavond herhaalt zich hetzelfde patroon. Mijn vrienden vragen waarom we nooit meer afspreken in het weekend. Ik verzin smoesjes: druk met familie, moe van werk. Maar de waarheid is dat ik gevangen zit in mijn eigen huis.

Op een avond belt mijn moeder uit Groningen. ‘Anne, je klinkt zo anders de laatste tijd. Gaat het wel goed met je?’

Ik slik en probeer mijn stem vast te houden. ‘Het gaat wel, mam.’

‘Je mag best zeggen als iets niet goed gaat,’ zegt ze zacht.

Die nacht lig ik wakker naast Jeroen, die rustig ademhaalt in zijn slaap. Ik denk aan vroeger, aan wie ik was voordat dit allemaal begon: spontaan, vrolijk, vol plannen voor de toekomst. Waar ben ik gebleven?

De volgende vrijdag besluit ik dat het zo niet langer kan. Als Gerda weer begint over kinderen tijdens het eten, leg ik mijn vork neer.

‘Gerda,’ zeg ik met trillende stem, ‘ik waardeer jullie hulp en gezelschap, maar soms voelt het alsof er geen ruimte is voor mij in mijn eigen huis.’

Het wordt stil aan tafel. Jeroen kijkt me verbaasd aan, Henk fronst zijn wenkbrauwen.

‘Wat bedoel je?’ vraagt Gerda gekwetst.

‘Ik bedoel dat ik behoefte heb aan privacy en rust in het weekend,’ zeg ik zacht maar vastberaden. ‘Misschien kunnen we afspreken dat jullie eens per maand blijven slapen in plaats van elk weekend?’

Gerda’s gezicht betrekt. ‘Maar we willen alleen maar helpen.’

‘Ik weet het,’ zeg ik snel, ‘en dat waardeer ik echt. Maar dit is ook mijn thuis.’

Jeroen zwijgt nog steeds. Na het eten loopt hij naar buiten om een sigaret te roken – iets wat hij alleen doet als hij gespannen is.

Die nacht slapen we zwijgend naast elkaar. De volgende ochtend zegt Jeroen eindelijk iets: ‘Ik wist niet dat je je zo voelde.’

‘Ik heb het vaak geprobeerd te zeggen,’ fluister ik.

Hij knikt langzaam. ‘Misschien moeten we samen met mijn ouders praten.’

Het gesprek dat volgt is pijnlijk en ongemakkelijk, maar noodzakelijk. Gerda huilt; Henk moppert dat “de jeugd van tegenwoordig” niks meer aankan. Maar uiteindelijk spreken we af dat ze voortaan één keer per maand blijven slapen en verder alleen langskomen voor koffie of een wandeling.

De eerste vrije zaterdag voelt vreemd leeg aan – maar ook als een verademing. Ik bak pannenkoeken voor Jeroen en mijzelf en we lachen om oude foto’s uit onze studententijd in Utrecht.

Langzaam vind ik mezelf terug: ik ga weer sporten, spreek af met vriendinnen en durf zelfs te dromen over een toekomst waarin er misschien toch kinderen komen – op onze voorwaarden.

Soms voel ik me nog schuldig tegenover Gerda en Henk, maar dan herinner ik mezelf eraan dat grenzen stellen geen egoïsme is, maar zelfzorg.

Nu vraag ik me af: hoeveel vrouwen herkennen zich in mijn verhaal? Hoe vaak vergeten we onszelf om anderen tevreden te houden? Misschien is het tijd om daar samen over te praten.