Gesloten Deuren: Mijn Strijd om Niet te Verdwijnen uit het Leven van Mijn Zoon

‘Waarom mag ik niet gewoon even binnenkomen, Tom?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer vastberaden te klinken. Mijn zoon kijkt me niet aan. ‘Mam, het is gewoon niet zo’n goed moment nu. Anneke is moe van haar werk en… je weet hoe ze is met onverwacht bezoek.’

Ik sta op de stoep van hun flat in Utrecht, met een zelfgebakken appeltaart in mijn handen. Het regent zachtjes. De geur van nat asfalt mengt zich met die van de taart, maar alles lijkt dof. Vijf jaar geleden ben ik voor het laatst binnen geweest bij Tom. Toen was alles nog nieuw: zijn huwelijk met Anneke, hun eerste eigen plek. Ik had bloemen meegenomen en een kaartje. Maar Anneke had nauwelijks naar me omgekeken.

‘Je hoeft niet lang te blijven, mam,’ had Tom toen gezegd, terwijl hij zenuwachtig op zijn horloge keek. ‘Anneke moet nog studeren.’

Sindsdien werd het steeds moeilijker. Eerst waren er smoesjes: drukte, tentamens, werk. Daarna kwamen de berichten: ‘We hebben het druk dit weekend’, ‘Anneke voelt zich niet zo lekker’, ‘Misschien volgende maand’. Ik probeerde begripvol te zijn. Ik wilde geen bemoeizuchtige schoonmoeder zijn. Maar nu, vijf jaar later, sta ik nog steeds buiten.

Mijn vriendinnen begrijpen het niet. ‘Marja, je bent zijn moeder! Je hoort erbij te zijn!’ zegt Els altijd. Maar zij heeft drie dochters die haar elke week bellen. Mijn zus Corrie zegt: ‘Misschien moet je het gewoon laten rusten.’ Maar hoe laat je je eigen kind los?

Ik herinner me de dag dat Tom geboren werd. Het was een stormachtige novembernacht in 1989. Mijn man Pieter hield mijn hand vast terwijl ik schreeuwde van de pijn. Toen Tom eindelijk werd geboren, huilde hij niet meteen. Ik hield mijn adem in tot ik zijn eerste kreetje hoorde. Vanaf dat moment wist ik: voor hem zou ik alles doen.

Nu voelt het alsof ik hem langzaam kwijtraak aan een vrouw die mij niet wil kennen.

‘Mam, het spijt me echt,’ zegt Tom zachtjes. Hij schuift ongemakkelijk met zijn voeten over de deurmat. Achter hem hoor ik Anneke’s stem: ‘Tom? Kom je nog?’ Ze klinkt geërgerd.

‘Ik ga wel weer,’ zeg ik snel, terwijl ik de taart aan hem overhandig. ‘Voor jullie allebei.’

Hij neemt hem aan zonder me aan te kijken.

Op de terugweg naar huis voel ik tranen prikken achter mijn ogen. Ik woon alleen sinds Pieter drie jaar geleden overleed aan kanker. Tom was er toen voor me – hij kwam elke week langs, bracht boodschappen en bleef eten. Maar na de begrafenis veranderde er iets. Anneke kwam nooit mee en Tom werd steeds stiller over hun leven samen.

Thuis zet ik een kop thee en staar uit het raam naar de lege straat. Mijn telefoon blijft stil.

De weken gaan voorbij. Soms stuurt Tom een appje: ‘Alles goed mam?’ of ‘Fijne verjaardag!’ Maar als ik vraag of we kunnen afspreken, blijft het stil of krijg ik weer een excuus.

Op een dag belt Els me opgewonden op: ‘Marja, ik zag Tom en Anneke op de markt! Ze hadden een kinderwagen bij zich!’

Mijn hart slaat over. Een kleinkind? Waarom weet ik dit niet?

Ik bel Tom meteen. Hij neemt niet op. Ik stuur een bericht: ‘Els zag jullie op de markt met een kinderwagen… Is er iets wat je me wilt vertellen?’

Pas twee dagen later krijg ik antwoord: ‘Ja mam, we hebben een dochtertje gekregen. Ze heet Sophie.’

Ik laat mijn telefoon vallen en begin te huilen. Mijn eerste kleinkind, en niemand heeft me iets verteld.

De volgende dag sta ik weer voor hun deur, met een knuffelbeer en een kaartje in mijn tas. Dit keer doet Anneke open.

Ze kijkt me strak aan. ‘Wat kom je doen?’

‘Ik wil graag mijn kleindochter zien,’ zeg ik zachtjes.

Anneke zucht diep. ‘We willen geen gedoe, Marja. We hebben onze rust nodig.’

‘Maar… ik ben haar oma,’ fluister ik.

Ze schudt haar hoofd en sluit langzaam de deur.

Die nacht slaap ik nauwelijks. Ik denk aan Sophie – hoe ze eruit zal zien, of ze misschien mijn blauwe ogen heeft of Tom’s kuiltjes in zijn wangen. Ik voel me leeg en nutteloos.

De dagen worden weken. Ik stuur kaartjes, cadeautjes, bloemen – alles komt retour of blijft onbeantwoord.

Op een dag belt Tom eindelijk op. Zijn stem klinkt moe.

‘Mam, Anneke heeft het moeilijk gehad na de bevalling. Ze wil geen bezoek. Geef ons tijd.’

‘Maar Tom… waarom mag ik haar niet zien? Wat heb ik fout gedaan?’

Hij zwijgt even. ‘Het is gewoon beter zo.’

Ik hang op en barst in tranen uit.

Mijn leven wordt kleiner en kleiner. Ik ga minder naar buiten, zie mijn vriendinnen nauwelijks nog. Alles draait om wachten op een teken van Tom.

Op een avond zit ik alleen aan tafel als Corrie langskomt.

‘Marja, je moet voor jezelf kiezen,’ zegt ze streng. ‘Je kunt niet blijven wachten tot zij jou toelaten in hun leven.’

‘Maar hoe dan? Het is mijn zoon… mijn kleindochter…’

Corrie pakt mijn hand vast. ‘Misschien moet je accepteren dat je niet welkom bent en proberen je eigen geluk te vinden.’

Die nacht lig ik wakker en denk na over haar woorden.

De volgende dag schrijf ik een brief aan Tom:

‘Lieve Tom,
Ik hou van jou en zal altijd van je blijven houden, wat er ook gebeurt. Maar ik kan niet langer leven in deze onzekerheid en pijn. Als jullie ooit willen dat ik deel uitmaak van jullie leven, weet dan dat mijn deur altijd openstaat.
Liefs,
Mama’

Ik stop de brief op de post en voel me lichter dan in maanden.

Langzaam begin ik weer dingen voor mezelf te doen: schilderen, wandelen in het park, koffie drinken met Els en Corrie.

Soms denk ik aan Sophie – hoe ze groeit zonder dat ik haar ken – en dan doet het pijn. Maar ik probeer te geloven dat liefde soms betekent dat je loslaat.

Toch blijft er altijd die vraag knagen:

Heb ik gefaald als moeder? Of is dit gewoon hoe het leven soms loopt?
Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?