Het testament: Toen mijn broer veranderde in een vreemde

‘Anna, je begrijpt toch wel dat ik recht heb op het huis?’

De woorden van mijn broer Mark galmen nog na in mijn hoofd. We zitten aan de keukentafel in het ouderlijk huis, waar de geur van vers gezette koffie zich mengt met de muffe lucht van oude gordijnen. Buiten tikt de regen zachtjes tegen het raam, maar binnen is het allesbehalve rustig. Mijn handen trillen als ik mijn kopje oppak. ‘Mark, pap heeft duidelijk gezegd dat we alles eerlijk zouden verdelen. Dat was zijn wens.’

Mark kijkt me aan met een blik die ik niet herken. Zijn ogen zijn koud, berekenend. ‘Dat was vóórdat jij je zo met alles bemoeide. Jij hebt hem beïnvloed, Anna. Iedereen weet dat jij altijd zijn lievelingetje was.’

Ik voel hoe mijn keel dichtknijpt. Dit is niet de broer met wie ik vroeger hutten bouwde in het bos achter ons huis in Amersfoort. Niet de Mark die me beschermde tegen pestkoppen op school. Dit is een vreemde, iemand die me aankijkt alsof ik zijn vijand ben.

Na de begrafenis van papa was alles anders. Mama zat als een schim op de bank, haar ogen rood van het huilen. Mark en ik probeerden haar te troosten, maar we konden elkaar nauwelijks aankijken. De notaris had ons uitgenodigd voor het bespreken van het testament. Ik dacht dat het een formaliteit zou zijn; papa was altijd rechtvaardig geweest. Maar toen de notaris begon over het huis, de spaarrekening en zelfs over de oude boot aan de Vecht, voelde ik de spanning groeien.

‘Het huis gaat naar Anna,’ las de notaris voor, ‘omdat zij de mantelzorg voor moeder op zich neemt.’

Mark’s gezicht vertrok. ‘Dat kan niet waar zijn,’ siste hij. ‘Dat is niet eerlijk!’

Sindsdien is er geen dag voorbijgegaan zonder ruzie of verwijten. Mark stuurde me lange, boze e-mails waarin hij me beschuldigde van manipulatie. Hij dreigde zelfs met een rechtszaak. Mama probeerde te bemiddelen, maar haar stem was zwak en haar hart gebroken.

Op een avond, toen ik net thuiskwam van mijn werk bij de bibliotheek, stond Mark ineens voor mijn deur. Zijn gezicht was grauw, zijn ogen rood doorwaakt.

‘Anna, kunnen we praten?’ vroeg hij zacht.

Ik liet hem binnen, maar mijn hart bonsde in mijn borstkas. We gingen aan tafel zitten, net als vroeger, maar alles voelde anders.

‘Waarom doe je dit?’ vroeg hij uiteindelijk. ‘Waarom pak je alles af?’

‘Mark, ik pak niets af,’ zei ik zacht. ‘Ik zorg voor mama omdat jij dat niet wilt of kunt. Pap heeft dit zo geregeld omdat hij wist dat ik hier zou blijven.’

Hij sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Je denkt altijd dat jij alles beter weet! Altijd dat perfecte dochtertje spelen!’

Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Dat is niet eerlijk, Mark. Jij hebt je eigen leven gekozen. Je woont al jaren in Rotterdam, je komt alleen langs als het jou uitkomt.’

Hij stond op en liep naar het raam. Buiten was het donker geworden; alleen het licht van de lantaarnpaal viel naar binnen.

‘Weet je nog,’ zei hij plotseling, ‘hoe we vroeger samen naar papa’s verhalen luisterden? Hoe hij altijd zei dat familie het belangrijkste was?’

Ik knikte zwijgend.

‘En nu…’ Zijn stem brak. ‘Nu zijn we elkaar kwijt.’

Die nacht lag ik wakker in bed, luisterend naar het zachte snurken van mama in de kamer naast mij. Mijn gedachten tolden rond: had ik iets anders kunnen doen? Had ik Mark meer moeten betrekken? Of was dit onvermijdelijk geweest?

De weken daarna werd het alleen maar erger. Mark schakelde een advocaat in; ik kreeg brieven vol juridische termen en dreigementen. Mama werd steeds stiller; soms zat ze urenlang voor zich uit te staren.

Op een dag vond ik haar huilend in papa’s oude stoel.

‘Waarom doen jullie elkaar dit aan?’ fluisterde ze. ‘Jullie waren altijd zo close…’

Ik knielde naast haar neer en pakte haar hand vast.

‘Ik weet het niet meer, mam,’ snikte ik. ‘Ik weet niet hoe ik dit moet oplossen.’

De rechtszaak kwam er toch. In de rechtbank voelde ik me klein en verloren tussen de advocaten en rechters in zwarte toga’s. Mark keek me niet aan; zijn gezicht was strak en onbewogen.

De rechter sprak: ‘Het testament is duidelijk. Het huis blijft bij Anna zolang zij voor haar moeder zorgt.’

Mark stormde boos de zaal uit. Ik bleef achter met een gevoel van leegte dat dieper was dan ooit tevoren.

Thuis wachtte mama op me met een kopje thee en een trillende glimlach.

‘Is het nu voorbij?’ vroeg ze hoopvol.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik weet het niet, mam.’

De maanden verstreken. Mark liet niets meer van zich horen. Op verjaardagen stuurde hij alleen nog een kaartje; geen telefoontjes meer, geen bezoekjes aan mama.

Soms droom ik over vroeger: hoe we samen fietsten langs de Eem, hoe we stiekem snoepjes pakten uit papa’s lade. Maar als ik wakker word, voel ik alleen maar gemis.

Op een dag – het was herfst en de bladeren kleurden rood en goud – stond Mark ineens weer voor de deur. Hij zag er ouder uit, moe.

‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg hij schor.

We zaten zwijgend aan tafel, net als die eerste keer na papa’s dood.

‘Het spijt me,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik heb me laten meeslepen door woede en jaloezie.’

Mijn hart bonsde opnieuw, maar deze keer van opluchting.

‘Ik mis je, Mark,’ fluisterde ik.

Hij knikte langzaam. ‘Misschien kunnen we opnieuw beginnen?’

We praatten urenlang over alles wat er gebeurd was – over papa, over mama’s gezondheid, over onze eigen angsten en verlangens.

Het zal nooit meer worden zoals vroeger; daarvoor is er te veel gebeurd. Maar misschien is er ruimte voor iets nieuws – iets dat gebouwd is op eerlijkheid en kwetsbaarheid.

Soms vraag ik me af: hoeveel families worden verscheurd door geld en misverstanden? En wat is er uiteindelijk belangrijker – bezit of elkaar vasthouden als alles om je heen verandert?