Ik gaf mijn dochter direct na de geboorte af, maar kreeg haar terug – en dat redde mijn leven

‘Waarom heb je het gedaan, mam? Waarom heb je mij weggegeven?’

Die vraag, uitgesproken door een stem die tegelijk vertrouwd en vreemd klonk, sneed als een mes door mijn ziel. Ik staarde naar de handen op tafel – haar handen, mijn handen – en voelde het oude schuldgevoel als een golf over me heen spoelen. Mijn naam is Marleen van Dijk, ik ben 31 jaar en dit is het verhaal dat ik nooit hardop durfde te vertellen.

Het begon allemaal op een regenachtige ochtend in Utrecht, zeven jaar geleden. Ik was 24, alleen, en zwanger van een man die al lang uit beeld was verdwenen. Mijn ouders, Jan en Els, waren woedend toen ze het hoorden. ‘Hoe kun je zo dom zijn, Marleen?’ riep mijn moeder. ‘Je hebt geen vaste baan, geen partner, geen toekomst!’ Mijn vader keek me alleen maar teleurgesteld aan en liep de kamer uit. Ik voelde me kleiner dan ooit.

De zwangerschap was zwaar. Niet alleen fysiek – ik was misselijk, moe en voelde me opgesloten in mijn eigen lichaam – maar vooral mentaal. Mijn vrienden verdwenen langzaam uit beeld; ze wisten niet wat ze moesten zeggen. Mijn moeder bleef aandringen op adoptie. ‘Je kunt dit niet alleen, meisje. Denk aan je toekomst.’

Op 3 november werd mijn dochter geboren. Ze huilde zachtjes toen ze op mijn borst werd gelegd. Ik keek in haar ogen en voelde iets wat ik niet kon benoemen: liefde, angst, paniek. De maatschappelijk werker stond al klaar met de papieren. Mijn moeder hield mijn hand vast terwijl ik tekende. ‘Het is beter zo,’ fluisterde ze. Maar het voelde alsof ik een deel van mezelf verloor.

De dagen daarna waren een waas van leegte. Ik ging terug naar mijn kleine appartement in Kanaleneiland en probeerde door te gaan met mijn leven. Maar alles herinnerde me aan haar: het wiegje dat ik nooit had gebruikt, de kleine sokjes in de la. Ik probeerde te werken, maar verloor mijn baan bij de bakkerij omdat ik steeds te laat kwam of gewoon niet verscheen.

Toen kwam het nieuws: borstkanker. Ik was 26 en dacht dat het leven niet erger kon worden. De behandelingen waren zwaar; chemo maakte me zwak en kaal. Mijn moeder kwam soms langs met soep, maar we spraken nooit over de baby. Mijn vader bleef weg.

Op een avond zat ik op de bank toen mijn telefoon ging. Het was mijn zusje, Sanne. ‘Mam is gevallen,’ zei ze kortaf. ‘Ze ligt in het ziekenhuis.’ Ik voelde geen paniek – eerder een soort berusting. In het ziekenhuis zag ik mijn moeder kleiner dan ooit, haar gezicht bleek tegen het kussen.

‘Marleen,’ fluisterde ze toen ik naast haar zat, ‘ik heb spijt van alles wat ik heb gezegd.’

Ik wist niet wat ik moest antwoorden. We huilden samen, voor het eerst in jaren.

Na haar herstel probeerden we langzaam weer contact te maken. Maar het gemis van mijn dochter bleef als een schaduw over alles hangen. Ik begon te schrijven – brieven aan een kind dat ik nooit had gekend. Soms droomde ik over haar: een meisje met donker haar dat lachte zoals ik vroeger deed.

Twee jaar geleden kreeg ik een brief van de adoptieorganisatie. ‘Uw dochter heeft aangegeven contact met u te willen.’ Mijn hart sloeg over. Haar naam was Lotte geworden – Lotte Jansen. Ze woonde in Amersfoort bij haar adoptieouders, Paul en Ingrid.

De eerste ontmoeting was onwerkelijk. Ze was toen zes jaar oud, verlegen en nieuwsgierig tegelijk. Haar adoptieouders zaten erbij, hun gezichten gespannen. ‘Hallo,’ zei ze zachtjes. ‘Ben jij mijn echte mama?’

Ik knikte, tranen brandden achter mijn ogen.

De maanden daarna zagen we elkaar vaker – eerst in het park, later bij mij thuis. Lotte stelde steeds meer vragen: waarom had ik haar afgestaan? Was ze niet gewenst? Elke keer probeerde ik eerlijk te zijn zonder haar pijn te doen.

Maar de echte confrontatie kwam pas later, tijdens een logeerweekend bij mij thuis in Utrecht.

‘Waarom heb je het gedaan, mam? Waarom heb je mij weggegeven?’

Ik slikte en keek haar aan. ‘Omdat ik bang was,’ zei ik uiteindelijk. ‘Bang dat ik niet goed genoeg voor je zou zijn. Dat ik je geen toekomst kon geven.’

Ze keek me lang aan. ‘Maar nu ben je er wel.’

‘Ja,’ fluisterde ik. ‘Nu ben ik er wel.’

Het contact met haar adoptieouders bleef moeizaam. Ingrid vond het moeilijk om mij toe te laten in Lotte’s leven. ‘We willen niet dat ze in de war raakt,’ zei ze tijdens een gesprek in hun tuin. Paul zweeg meestal, maar zijn blik sprak boekdelen.

Soms voelde het alsof ik moest vechten voor elk beetje tijd met mijn dochter. Maar elke keer als Lotte me omhelsde of lachte om mijn flauwe grappen, wist ik dat het de moeite waard was.

Mijn gezondheid bleef kwetsbaar; de kanker kwam terug toen Lotte acht was geworden. Deze keer besloot ik open te zijn tegen haar.

‘Mama is ziek,’ zei ik terwijl we samen op de bank zaten.

Ze kroop dicht tegen me aan en pakte mijn hand vast.

‘Word je weer beter?’

‘Ik hoop het,’ zei ik eerlijk.

In die periode kwam Sanne vaker langs om te helpen in huis en boodschappen te doen. Mijn moeder bracht bloemen en soep – onze band was sterker dan ooit geworden door alles wat we hadden meegemaakt.

Op een dag stond Lotte’s adoptievader voor de deur.

‘Marleen,’ begon hij aarzelend, ‘we willen graag samen met jou bespreken hoe we Lotte kunnen steunen nu je ziek bent.’

Voor het eerst voelde het alsof we samenwerkten in plaats van tegenover elkaar stonden.

Lotte bleef vaker bij mij slapen; we keken films, bakten pannenkoeken en maakten wandelingen langs de Oudegracht. Ze vertelde me over school, over haar vriendinnen en over haar dromen om later dierenarts te worden.

Op een avond vroeg ze: ‘Ben je trots op mij?’

Ik slikte en knikte. ‘Meer dan je ooit zult weten.’

Nu ben ik 31 en nog steeds in behandeling, maar elke dag met Lotte voelt als een geschenk dat ik bijna had weggegooid uit angst en onzekerheid.

Soms vraag ik me af: hoeveel moeders zijn er zoals ik – verscheurd tussen liefde en angst? En hoeveel kinderen wachten nog op antwoorden die hun ouders misschien nooit durven geven?

Zou jij anders hebben gekozen dan ik? Wat zou jij doen als je moest kiezen tussen jezelf verliezen of je kind?