Ik nam mijn nichtje in huis, maar verloor mijn vertrouwen – kan ik familie ooit nog vertrouwen?
‘Waarom heb je dat gedaan, Sanne?’ Mijn stem trilt, ik hoor het zelf. Mijn handen klemmen zich om de rand van het aanrecht, terwijl ik haar aankijk. Ze ontwijkt mijn blik, haar schouders opgetrokken, alsof ze zich wil verstoppen in haar te grote trui. Buiten tikt de regen tegen het raam, maar binnen is het ijskoud.
‘Ik weet niet…’ fluistert ze. ‘Het ging allemaal zo snel.’
Ik slik. Twee maanden geleden stond Sanne ineens voor mijn deur in Utrecht, haar koffer in de hand, haar ogen rood van het huilen. Ze was net achttien geworden en haar moeder – mijn tante Marja – had haar het huis uitgezet na weer een ruzie. Ik twijfelde geen moment. Familie helpt elkaar, toch? Dat is wat mijn moeder me altijd heeft geleerd.
De eerste weken gingen goed. Sanne was stil, maar dankbaar. Ze hielp met koken, deed de boodschappen en lachte zelfs af en toe om mijn flauwe grappen. Ik vond het fijn om iemand in huis te hebben; het voelde minder leeg sinds mijn scheiding van Bas. Soms zaten we samen op de bank, keken we naar Wie is de Mol en dronken we thee met honing.
Maar langzaam veranderde er iets. Kleine dingen verdwenen: een fles parfum, wat geld uit mijn portemonnee, een paar oorbellen die ik van mijn oma had geërfd. Eerst dacht ik dat ik zelf slordig was. Maar toen ik op een ochtend mijn laptop miste – mijn werk, mijn foto’s, alles – wist ik dat er iets niet klopte.
‘Sanne,’ zei ik die avond voorzichtig, ‘heb jij misschien mijn laptop gezien?’
Ze keek me aan met grote ogen. ‘Nee, hoezo?’
Ik wilde haar geloven. Ik wilde zó graag geloven dat ze de waarheid sprak. Maar ergens diep vanbinnen voelde ik het al: het vertrouwen was weg.
De volgende dag vond ik in haar kamer een plastic tas met spullen die van mij waren. Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik de deur opendeed en haar betrapte terwijl ze haastig iets onder haar bed schoof.
‘Waarom?’ vroeg ik weer, nu luider. ‘Waarom doe je dit?’
Ze begon te huilen. ‘Ik weet het niet meer, Iris. Alles is zo moeilijk. Ik heb schulden… Ik wilde je niet pijn doen.’
‘Maar je hebt me wel pijn gedaan,’ zei ik zacht.
Die nacht lag ik wakker. Mijn gedachten tolden door mijn hoofd: Had ik iets kunnen doen om dit te voorkomen? Was ik te goedgelovig geweest? Of was dit gewoon pech?
De dagen daarna werd het huis een slagveld van stiltes en verwijten. Sanne probeerde zich groot te houden, maar ik zag de schaamte in haar ogen. Ik probeerde haar te begrijpen – echt waar – maar elke keer als ik naar haar keek, voelde ik de pijn van het verraad.
Op een avond kwam mijn moeder langs. Ze zette thee en keek me doordringend aan.
‘Je kunt niet iedereen redden, Iris,’ zei ze zacht.
‘Maar ze is familie,’ fluisterde ik terug.
‘Juist daarom doet het zo’n pijn.’
Sanne bleef nog een week. We spraken weinig; alles wat gezegd moest worden hing tussen ons in als een zware mist. Uiteindelijk pakte ze haar spullen en vertrok zonder afscheid te nemen. De stilte die achterbleef was ondraaglijk.
Nu zit ik hier, alleen aan de keukentafel. De regen is opgehouden, maar binnen stormt het nog steeds. Ik kijk naar de lege stoel tegenover me en vraag me af: Ben ik te goed van vertrouwen? Of is dit gewoon wat mensen doen als ze wanhopig zijn?
Soms denk ik terug aan die eerste avond dat Sanne bij mij kwam wonen. Hoe ze haar jas uittrok en voorzichtig glimlachte. Hoe ik dacht dat alles goed zou komen als je maar lief genoeg bent voor elkaar.
Maar nu weet ik beter. Soms is liefde niet genoeg om iemand te redden – en soms moet je jezelf beschermen, zelfs tegen je eigen familie.
Hebben jullie ooit zoiets meegemaakt? Is vertrouwen geven een zwakte of juist een kracht? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?