Ik verliet mijn gezin voor de liefde, maar keerde terug met twee vreemde kinderen in mijn armen – mijn verhaal uit Amersfoort

‘Marleen, als je nu die deur uitloopt, hoef je nooit meer terug te komen!’ De stem van mijn moeder galmde nog na in de gang, terwijl ik met trillende handen mijn koffer dichtduwde. Mijn vader stond in de deuropening, zijn gezicht strak en bleek. ‘Je weet niet wat je doet, meisje. Denk aan je broertje, aan ons…’

Maar ik dacht alleen aan hem: Jeroen. De jongen met de guitige ogen en het warrige haar, die me had laten voelen dat ik leefde. Ik was 27, werkte als verpleegkundige in het Meander Medisch Centrum in Amersfoort, en had altijd gedaan wat er van me werd verwacht. Tot Jeroen. Hij was anders – avontuurlijk, onvoorspelbaar, een beetje verloren misschien. Maar hij keek naar mij alsof ik de enige was die hem begreep.

‘Ik moet dit doen, pap,’ fluisterde ik. ‘Ik kan niet anders.’

Mijn moeder draaide zich om, haar schouders schokkend. Mijn broertje Bas keek me aan met grote ogen, zijn lip trillend. ‘Kom je ooit nog terug?’ vroeg hij zacht.

‘Ik weet het niet,’ zei ik eerlijk. ‘Maar ik hou van jullie.’

De deur viel achter me dicht met een klap die door merg en been ging.

De eerste maanden met Jeroen waren een roes. We huurden een klein appartementje aan de rand van de stad, met uitzicht op het spoor. ’s Nachts luisterden we naar het geratel van de treinen en droomden we over verre reizen. Jeroen werkte onregelmatig als muzikant en klusjesman; ik draaide nachtdiensten in het ziekenhuis. We leefden van dag tot dag, op adrenaline en goedkope wijn.

Maar langzaam sloop de realiteit binnen. Rekeningen stapelden zich op, Jeroen werd stiller. Hij kwam steeds later thuis, rook naar drank en vreemde parfums. Op een avond vond ik een vrouwenoorbel onder onze bank.

‘Van wie is dit?’ vroeg ik, mijn stem scherp.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Van een vriendin van een vriend. Je weet hoe dat gaat.’

Maar ik wist dat het niet klopte. Ik voelde het in mijn botten.

Toch bleef ik. Want waar moest ik heen? Mijn familie had me verstoten; mijn vrienden begrepen niet waarom ik voor hem had gekozen. Ik was alleen met mijn keuzes.

Op een regenachtige novemberavond kwam Jeroen thuis met twee kinderen aan zijn hand – een meisje van zes met sproeten en een jongen van vier met grote blauwe ogen. Ze waren doorweekt, hun jassen veel te dun voor het weer.

‘Dit zijn Lotte en Daan,’ zei hij kortaf. ‘Ze blijven hier vannacht.’

‘Wat? Waarom?’

Hij keek me niet aan. ‘Hun moeder… ze is weg. Ze zijn familie van een vriend. Het is maar tijdelijk.’

Die nacht sliep ik nauwelijks. Lotte huilde zachtjes in haar slaap; Daan klampte zich vast aan een oude knuffelbeer die naar muffe kelder rook. Jeroen lag op de bank en snurkte luid.

De volgende ochtend was hij weg – en bleef weg. Geen briefje, geen telefoontje. Alleen ik en twee bange kinderen in een vreemd huis.

Ik probeerde hun moeder te bellen via het nummer dat Jeroen had achtergelaten, maar niemand nam op. De dagen werden weken. Mijn spaargeld raakte op; ik moest extra diensten draaien om eten te kunnen kopen.

Lotte vroeg elke avond: ‘Wanneer komt mama ons halen?’ Daan zei niets, maar keek me aan met die grote ogen vol wantrouwen en verdriet.

Op een dag stond de politie voor de deur. Een buurvrouw had hen gebeld omdat ze dacht dat er iets niet klopte – twee kinderen die nooit buiten speelden, een vrouw die er steeds vermoeider uitzag.

‘Mevrouw Van Dijk?’ vroeg de agente vriendelijk maar streng. ‘Kunt u uitleggen waarom deze kinderen bij u zijn?’

Ik vertelde alles – over Jeroen, over hun moeder die onvindbaar was, over mijn pogingen om hulp te zoeken.

De kinderen werden meegenomen naar een crisisopvang. Ik bleef achter in een leeg huis, omringd door speelgoed en herinneringen die niet van mij waren.

Die avond belde ik mijn moeder voor het eerst in anderhalf jaar.

‘Mam…’

Er viel een lange stilte aan de andere kant van de lijn.

‘Marleen?’ Haar stem brak.

‘Ik heb alles verpest,’ snikte ik. ‘Ik weet niet meer wie ik ben.’

Ze kwam meteen langs, bracht stamppot mee en warme dekens. We zaten samen op de bank terwijl de regen tegen het raam tikte.

‘Je hebt fouten gemaakt,’ zei ze zacht. ‘Maar je bent nog steeds mijn dochter.’

Langzaam bouwde ik mijn leven weer op. Ik vond een nieuwe baan als wijkverpleegkundige, huurde een studio in het centrum van Amersfoort. Soms zag ik Lotte en Daan terug bij de supermarkt met hun pleegouders; ze glimlachten verlegen naar me.

Jeroen heb ik nooit meer gezien. Soms droom ik nog van hem – zijn lach, zijn geur, de belofte van iets groots dat nooit kwam.

Nu ben ik 34 en weet ik dat liefde niet altijd genoeg is om alles te helen wat gebroken is. Maar misschien is dat ook niet nodig.

Hebben jullie ooit alles opgegeven voor iemand – en spijt gehad? Of juist niet? Wat zou jij doen als je ineens verantwoordelijk werd voor twee vreemde kinderen? Ik ben benieuwd naar jullie verhalen.