Je bent alleen maar handig. Ze vergeten je, totdat ze je weer nodig hebben.
‘Je bent alleen maar handig. Ze vergeten je, totdat ze je weer nodig hebben.’ Die woorden galmden door mijn hoofd terwijl ik de auto parkeerde voor het oude flatgebouw in Amersfoort. Mijn handen trilden lichtjes op het stuur. Het was alweer de derde keer deze maand dat ik Marloes moest ophalen bij haar moeder na een ‘kleine’ ruzie. Kleine ruzie, ja. Zo noemde ze het altijd, maar de spanning in huis was inmiddels zo dik dat je er een mes in kon snijden.
Ik zuchtte diep, streek mijn jas glad en liep richting de ingang. De lucht was grijs, de geur van regen hing in de lucht. Terwijl ik de trap op liep, ving ik een glimp op van iemand in het raam op de begane grond. Mijn hart sloeg een slag over. Was dat…? Nee, dat kon niet. Maar toch, daar stond ze. Mijn moeder. Ze keek me recht aan, haar blik streng en onderzoekend.
‘Mama? Wat doe jij hier?’ vroeg ik, mijn stem trillerig van verbazing en een vleugje angst.
Ze opende het raam en stak haar hoofd naar buiten. ‘Wojtek, jongen, ik moest met je praten. Je schoonmoeder heeft me gebeld.’
‘Waarom? Wat is er aan de hand?’
Ze zuchtte diep. ‘Kom even naar binnen. Dit is niet iets voor op straat.’
Met lood in mijn schoenen liep ik naar binnen. De geur van oude tapijten en muffe gangen vulde mijn neus. Boven hoorde ik stemmen. Mijn schoonmoeder, altijd luid, altijd aanwezig. Marloes, snikkend. En nu dus ook mijn moeder. Het voelde alsof de muren op me af kwamen.
‘Wojtek, luister,’ begon mijn moeder toen ik binnenkwam. ‘Je kunt zo niet doorgaan. Je laat je gebruiken. Door iedereen. Door Marloes, door haar moeder, zelfs door mij soms. Je bent alleen maar handig. Ze vergeten je, totdat ze je weer nodig hebben.’
Ik voelde de woede in me opborrelen. ‘Dat is niet waar! Ik probeer gewoon iedereen te helpen. Dat is toch normaal?’
‘Normaal?’ Mijn moeder lachte bitter. ‘Weet je nog toen je vader ziek was? Wie stond er toen altijd klaar? Jij. En wie kreeg er nooit een bedankje? Jij. En nu weer. Je holt jezelf voorbij, Wojtek. Je raakt jezelf kwijt.’
Op dat moment kwam Marloes de kamer binnen, haar ogen rood van het huilen. ‘Kunnen we gaan?’ vroeg ze zachtjes, zonder me aan te kijken.
‘Nee, we moeten praten,’ zei mijn moeder streng. ‘Dit kan zo niet langer.’
Mijn schoonmoeder kwam er ook bij staan, haar armen over elkaar. ‘Ach, laat die jongen toch. Hij weet zelf wel wat goed voor hem is.’
‘Nee, dat weet hij niet,’ beet mijn moeder haar toe. ‘Want hij denkt alleen maar aan jullie. Nooit aan zichzelf.’
De spanning was om te snijden. Marloes keek me smekend aan. ‘Wojtek, alsjeblieft. Laten we gewoon naar huis gaan. Ik beloof dat ik niet meer zo boos zal worden.’
Ik voelde me verscheurd. Aan de ene kant wilde ik Marloes geruststellen, haar meenemen en doen alsof alles weer normaal was. Aan de andere kant hoorde ik de stem van mijn moeder, die me confronteerde met een waarheid die ik liever niet onder ogen zag.
‘Waarom moet ik altijd degene zijn die alles oplost?’ schoot het opeens uit mijn mond. ‘Waarom moet ik altijd de sterke zijn? Waarom mag ik nooit eens instorten?’
Het bleef stil. Mijn schoonmoeder keek weg, Marloes begon weer te huilen en mijn moeder legde haar hand op mijn schouder. ‘Omdat je denkt dat dat je rol is. Maar dat is het niet, Wojtek. Je mag ook voor jezelf kiezen.’
We stonden daar, vier mensen in een kleine, benauwde woonkamer, ieder gevangen in zijn eigen gedachten. Ik dacht aan vroeger, aan hoe ik altijd probeerde de vrede te bewaren tussen mijn ouders, hoe ik op school altijd de bemiddelaar was, hoe ik op mijn werk altijd de extra diensten oppakte omdat niemand anders het wilde doen.
‘Ik ben moe,’ fluisterde ik. ‘Zo moe.’
Marloes kwam naar me toe en pakte mijn hand. ‘Het spijt me, echt. Ik weet dat ik soms te veel van je vraag. Maar ik ben ook bang. Bang dat je me verlaat, dat ik alleen achterblijf.’
Mijn moeder keek haar streng aan. ‘En daarom manipuleer je hem? Dat is geen liefde, meisje. Dat is angst.’
Mijn schoonmoeder snoof. ‘Nou, ik vind dat Wojtek gewoon een echte man is. Hij zorgt voor zijn gezin. Daar is niks mis mee.’
‘Maar wie zorgt er voor Wojtek?’ vroeg mijn moeder zacht.
Die vraag bleef hangen in de kamer. Niemand had een antwoord. Ik voelde de tranen prikken achter mijn ogen. Voor het eerst in jaren liet ik ze toe. Ik huilde. Niet hard, niet dramatisch, maar stilletjes, zoals ik altijd alles deed. Mijn moeder sloeg haar armen om me heen. Marloes stond er wat verloren bij, mijn schoonmoeder keek ongemakkelijk weg.
Na een tijdje veegde ik mijn tranen weg. ‘Ik weet niet meer wie ik ben,’ zei ik. ‘Ik weet niet meer wat ik wil. Alles draait altijd om anderen. Maar ik… ik besta ook nog.’
Marloes knikte. ‘Misschien moeten we hulp zoeken. Samen. Want zo kan het inderdaad niet langer.’
Mijn moeder glimlachte flauwtjes. ‘Dat is een begin, jongen. Je hoeft het niet alleen te doen.’
We gingen die avond naar huis, maar alles voelde anders. De stilte in de auto was zwaar, maar niet meer vijandig. Thuis praatten we, echt praten, voor het eerst in maanden. Over onze angsten, onze verwachtingen, onze teleurstellingen. Het was pijnlijk, maar ook bevrijdend.
De dagen daarna voelde ik me nog steeds verloren, maar ook een beetje lichter. Ik begon kleine dingen voor mezelf te doen. Een wandeling maken zonder dat iemand iets van me wilde. Een boek lezen zonder gestoord te worden. Het voelde vreemd, bijna egoïstisch, maar ook goed.
Soms hoor ik nog steeds de stem van mijn moeder in mijn hoofd: ‘Je bent alleen maar handig. Ze vergeten je, totdat ze je weer nodig hebben.’ Maar nu weet ik dat ik meer ben dan dat. Ik ben Wojtek. Ik besta. En ik mag er zijn, ook als niemand me nodig heeft.
Hebben jullie je ooit zo gevoeld? Dat je alleen maar bestaat voor anderen? Wanneer is het tijd om voor jezelf te kiezen? Ik ben benieuwd naar jullie verhalen.