“Je woont hier niet meer, Paweł” – Een maand na de scheiding, en nu moet alles anders

‘Paweł, je weet toch dat vandaag de laatste dag is dat je hier woont?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer vastberaden te klinken. Hij kijkt me aan, zijn ogen dof, alsof hij het niet echt hoort. ‘Hoezo al? Ik wist niet dat de tijd zo snel ging,’ mompelt hij, terwijl hij zijn koffiekopje ronddraait op de keukentafel.

Het is een maand geleden dat we uit elkaar gingen. Een maand waarin ik elke ochtend wakker werd met het gevoel dat er iets niet klopte. Zijn jas nog aan de kapstok, zijn tandenborstel naast de mijne. Alsof we een toneelstuk speelden waarin niemand zijn rol meer kende.

‘Je hebt toch gezocht naar een kamer?’ vraag ik, iets te scherp misschien. Hij haalt zijn schouders op. ‘Het is lastig, Zuus. Alles is duur, en ik…’ Hij zwijgt. Ik weet wat hij wil zeggen: hij heeft niet echt gezocht. Misschien hoopte hij dat ik van gedachten zou veranderen. Of misschien kon hij het gewoon niet opbrengen om echt weg te gaan.

Mijn moeder belt precies op dat moment. ‘Zuzanna, hoe gaat het? Is hij al weg?’ Haar stem klinkt bezorgd, maar ook opgelucht. Ze heeft nooit veel van Paweł gehouden. ‘Bijna, mam,’ zeg ik zacht. ‘Het is moeilijker dan ik dacht.’

‘Je moet sterk zijn, meisje. Dit is jouw huis.’

Ik hang op en kijk naar Paweł, die nu zijn spullen in een kartonnen doos stopt. Zijn bewegingen zijn traag, alsof hij elk voorwerp voor het laatst aanraakt. De stilte tussen ons is zwaar en vol herinneringen.

‘Weet je nog die avond in Scheveningen?’ vraagt hij ineens. ‘Toen we verdwaalden op het strand en jij boos werd omdat ik de weg niet wist?’

Ik glimlach flauwtjes. ‘En jij bleef maar zeggen dat we gewoon rechtdoor moesten lopen.’

Hij lacht kort, maar het klinkt hol. ‘Misschien lopen we nu ook gewoon rechtdoor, zonder te weten waar we uitkomen.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Paweł, dit werkt niet meer. We maken elkaar alleen maar ongelukkig.’

Hij knikt langzaam. ‘Ik weet het. Maar het is zo leeg zonder jou.’

De voordeur gaat open en onze dochter Lotte stormt binnen. Ze kijkt van mij naar Paweł en voelt meteen de spanning. ‘Gaan jullie weer ruzie maken?’ vraagt ze met een klein stemmetje.

‘Nee lieverd,’ zeg ik snel, ‘we praten gewoon even.’

Paweł hurkt naast haar neer. ‘Papa moet vandaag verhuizen, Lotje. Maar ik blijf altijd dichtbij.’

Ze slaat haar armpjes om zijn nek en begint te huilen. Mijn hart breekt in duizend stukjes.

Die avond zit ik alleen op de bank. De stilte in huis is oorverdovend. Ik hoor het tikken van de klok, het zachte gezoem van de koelkast. Alles voelt anders nu hij weg is.

Mijn zus Marieke appt: ‘Hoe gaat het? Wil je anders bij mij komen slapen vannacht?’

Ik typ: ‘Nee, ik moet dit voelen. Anders komt het nooit goed.’

De dagen daarna zijn zwaar. Lotte vraagt elke ochtend wanneer papa weer komt ontbijten. Ik probeer haar uit te leggen dat sommige dingen veranderen, maar ze begrijpt het niet echt.

Op een regenachtige woensdag belt Paweł aan om Lotte op te halen voor hun eerste weekend samen sinds de scheiding. Hij staat in de deuropening met een plastic tas vol speelgoed en een onzekere glimlach.

‘Gaat het een beetje?’ vraagt hij zacht.

‘Soms wel,’ antwoord ik eerlijk. ‘Soms helemaal niet.’

Hij knikt begrijpend en aait Lotte over haar haar. Ze springt in zijn armen en ik voel een steek van jaloezie – of is het verdriet?

Als ze weg zijn, loop ik door het lege huis. Overal liggen sporen van ons leven samen: een foto van onze bruiloft in Utrecht, een oude sjaal van hem op de kapstok, Lotte’s knutselwerkjes aan de muur.

’s Avonds drink ik wijn met Marieke op de bank.

‘Weet je nog hoe gelukkig jullie waren toen Lotte werd geboren?’ vraagt ze voorzichtig.

‘Ja,’ zeg ik zacht. ‘Maar ergens onderweg zijn we elkaar kwijtgeraakt.’

‘Misschien was het onvermijdelijk,’ zegt Marieke. ‘Of misschien hadden jullie harder moeten vechten.’

Ik weet het niet meer. Alles voelt als mijn schuld én als zijn schuld tegelijk.

Een week later krijg ik een brief van de woningbouwvereniging: mijn aanvraag voor een grotere woning is afgewezen. Te weinig punten, te weinig inkomen sinds Paweł weg is.

Ik voel paniek opkomen. Hoe moet ik dit allemaal alleen doen? De rekeningen stapelen zich op, Lotte heeft nieuwe schoenen nodig, en mijn werk als administratief medewerker bij de gemeente geeft me nauwelijks zekerheid.

’s Nachts lig ik wakker en denk aan Paweł. Zou hij zich ook zo verloren voelen?

Op een dag staat hij onverwacht voor de deur.

‘Mag ik even binnenkomen?’ vraagt hij schuchter.

Ik aarzel, maar laat hem binnen.

‘Ik heb een kamer gevonden in een studentenhuis in Lombok,’ zegt hij met een wrange glimlach. ‘Niet ideaal, maar beter dan niks.’

‘Dat is goed nieuws,’ zeg ik voorzichtig.

Hij kijkt me lang aan. ‘Zuus… denk je dat we ooit vrienden kunnen worden?’

Ik slik en kijk weg. ‘Misschien. Maar nu nog even niet.’

Hij knikt begrijpend en loopt langzaam weg.

Die nacht droom ik van vroeger: van onze eerste ontmoeting op Koningsdag in Amsterdam, van dansen tot diep in de nacht, van samen fietsen door de regen naar huis.

Als ik wakker word, voel ik me leeg maar ook opgelucht. Misschien begint hier iets nieuws – iets wat alleen van mij is.

Toch blijft er één vraag knagen: hoe weet je zeker wanneer iets echt voorbij is? Of houden sommige verhalen nooit helemaal op?