‘Mam, we gaan verhuizen…’ – Hoe mijn verlangen naar familie me bijna brak

‘Iwona, luister nou eens naar me! Je weet hoe graag ik een kleinkind wil. Je bent al dertig, het wordt tijd.’ Mijn stem trilde, maar ik kon het niet helpen. De stilte aan de andere kant van de lijn was oorverdovend.

‘Mam, ik weet het… Maar het is niet zo simpel. Jeroen en ik zijn druk met werk, en…’

‘Werk, altijd dat werk! Alsof dat belangrijker is dan familie.’

Ik hoorde haar zuchten. ‘Mam, alsjeblieft. Ik wil niet weer ruzie.’

Ik liet mijn hoofd in mijn handen zakken. De muren van mijn appartement in Utrecht leken dichterbij te komen, alsof ze me wilden verpletteren. Sinds mijn pensioen voelde ik me steeds vaker opgesloten in mijn eigen leven. Mijn dagen waren gevuld met boeken, koffie en wandelingen door het Wilhelminapark, maar de leegte bleef.

Mijn hele leven had ik gewerkt als docent Nederlandse literatuur aan de universiteit. Ik had studenten zien komen en gaan, had Iwona alleen opgevoed na haar vader – Arjan – ons verliet voor een jongere vrouw. Ik had alles gegeven om haar een goede toekomst te bieden. En nu, nu ze volwassen was, voelde ik me overbodig.

Op mijn zestigste verjaardag zat ik aan een lange tafel in een druk restaurant aan de Oudegracht. Mijn vrienden lachten, er werd getoost, maar mijn blik bleef hangen op Iwona en haar man Jeroen. Ze fluisterden met elkaar, hun handen ineengestrengeld onder tafel. Toen het dessert kwam, stond Iwona op en tikte tegen haar glas.

‘Mam…’ Haar stem trilde een beetje. ‘We hebben nieuws. Ik ben zwanger.’

De tranen sprongen in mijn ogen. Ik vloog op en omhelsde haar, voelde haar hart bonzen tegen het mijne. ‘Eindelijk,’ fluisterde ik. ‘Eindelijk word ik oma.’

De maanden daarna leefde ik op een roze wolk. Ik breide dekentjes, kocht boekjes en knuffels, en fantaseerde over wandelingen met de kinderwagen langs de Vecht. Toen kleine Lotte werd geboren, voelde ik een liefde die ik niet kende. Haar zachte handjes omklemden mijn vinger en ik dacht: dit is geluk.

Maar het geluk was broos.

Op een regenachtige dinsdagmiddag – Lotte was net zes maanden oud – kwam Iwona langs met een gespannen gezicht. Jeroen zat zwijgend naast haar op de bank.

‘Mam, we moeten iets vertellen,’ begon ze.

Mijn hart sloeg over.

‘Jeroen heeft een baan aangeboden gekregen in Zweden. In Göteborg. Het is een unieke kans…’

Ik hoorde de rest niet meer. Mijn oren suisden. Zweden? Zo ver weg? Mijn kleindochter, mijn dochter…

‘Maar… hoe kan dat nou? Jullie kunnen toch hier blijven? Er zijn hier ook banen!’

Jeroen keek weg. Iwona pakte mijn hand.

‘Mam, we hebben er goed over nagedacht. Het is beter voor ons gezin. En jij kunt altijd komen logeren.’

Ik trok mijn hand terug. ‘Logeren? Ik wil geen logé zijn in het leven van mijn eigen familie!’

De weken daarna waren gevuld met stilte en verwijten. Iwona probeerde me gerust te stellen via WhatsApp-berichtjes en telefoontjes, maar ik reageerde kortaf of helemaal niet. Op de dag van hun vertrek stond ik op Schiphol met Lotte in mijn armen. Ze lachte naar me met haar tandeloze mondje en greep naar mijn bril.

‘Dag oma,’ zei Iwona zachtjes terwijl ze Lotte uit mijn armen nam.

Ik draaide me om voordat ze mijn tranen konden zien.

De maanden die volgden waren donkerder dan ooit tevoren. Mijn vrienden probeerden me op te vrolijken – ‘Kom op Barbara, je hebt nu tijd voor jezelf!’ – maar hun woorden klonken hol. Ik probeerde te videobellen met Iwona en Lotte, maar het voelde nep; een scherm kon geen knuffel vervangen.

Op een avond zat ik aan tafel met mijn zus Marijke.

‘Je moet het loslaten, Bar,’ zei ze terwijl ze haar thee roerde. ‘Kinderen gaan hun eigen weg.’

‘Maar waarom voelt het dan alsof er iets uit me is gerukt?’

Marijke keek me aan met haar zachte ogen. ‘Omdat je altijd alles hebt gegeven voor Iwona. Maar nu moet je leren om voor jezelf te zorgen.’

Ik dacht aan de lege kamer waar Lotte’s wiegje had gestaan, aan de foto’s op de koelkast en de stapel ongeopende brieven van de universiteit die vroegen of ik gastcolleges wilde geven.

Op een dag besloot ik toch naar Göteborg te vliegen. De reis was zenuwslopend; ik voelde me oud en onzeker tussen de jonge zakenreizigers op Schiphol. Maar toen ik Lotte weer in mijn armen hield, wist ik dat afstand liefde niet kon breken.

Toch bleef er iets knagen. Tijdens het avondeten vroeg ik voorzichtig: ‘Iwona… Ben je gelukkig hier?’

Ze keek naar Jeroen, die met Lotte speelde op het tapijt.

‘Soms mis ik Nederland,’ gaf ze toe. ‘Maar hier hebben we rust, ruimte… En Jeroen is gelukkig in zijn werk.’

Ik knikte langzaam. ‘En jij? Voel je je thuis?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Thuis is waar Lotte is.’

Op de terugweg naar Nederland dacht ik na over wat thuis eigenlijk betekent. Is het een plek? Een gevoel? Of zijn het de mensen die je liefhebt?

Nu zit ik weer in mijn appartement in Utrecht, omringd door boeken en herinneringen. Soms voel ik me nog steeds verscheurd tussen trots en verdriet – trots op Iwona’s moed om haar eigen pad te kiezen, verdriet omdat dat pad zo ver van mij verwijderd is.

Misschien is dit wat loslaten betekent: accepteren dat liefde niet altijd dichtbij hoeft te zijn om echt te zijn.

Hebben jullie ooit zo’n keuze moeten maken? Hoe ga je om met het gevoel dat je familie uit elkaar groeit door afstand?