Mama, ik kan niet meer: De sleutels van ons huis zijn niet meer van jou

‘Daan, waarom doe je zo tegen mij? Ik ben je moeder!’ Haar stem trilt, haar ogen schieten vuur. Mijn handen beven terwijl ik de sleutels op tafel leg. ‘Mam, het kan zo niet langer. Je kunt niet zomaar binnenlopen wanneer je wilt.’

Het is alsof de tijd even stilstaat. De geur van haar parfum – dat zware, ouderwetse luchtje dat altijd in haar jas hangt – vult de kamer. Ik hoor Sophie zachtjes snikken in de keuken. Mijn moeder draait zich om, haar gezicht vertrokken van ongeloof en woede.

‘Dus zij heeft dit gedaan? Sophie heeft je tegen mij opgezet!’

Ik slik. ‘Nee mam, dit is mijn beslissing. Ik kan niet meer. Elke keer als je komt, voel ik spanning in huis. Sophie voelt zich niet welkom in haar eigen huis.’

Ze lacht schamper. ‘Ach jongen, je laat je bespelen. Vroeger was je anders. Toen luisterde je nog naar mij.’

Vroeger. Toen was alles inderdaad anders. Mijn vader overleed toen ik twaalf was. Mijn moeder en ik waren op elkaar aangewezen, een onafscheidelijk duo in een rijtjeshuis in Amersfoort. Ze werkte zich kapot als verpleegkundige, draaide nachtdiensten, kwam thuis met wallen onder haar ogen en een glimlach voor mij.

Toen ik Sophie ontmoette op de universiteit, veranderde er iets. Mijn moeder vond haar te stil, te anders. ‘Ze lacht nooit naar me,’ zei ze na hun eerste ontmoeting. ‘Ze is beleefd,’ antwoordde ik dan, ‘gewoon verlegen.’ Maar het zaadje was geplant.

De eerste jaren van ons huwelijk probeerde ik te bemiddelen. Mijn moeder kwam onaangekondigd langs, bracht tassen vol boodschappen mee – altijd dingen die Sophie niet lustte. Ze gaf ongevraagd advies over de opvoeding van onze dochter Noor (‘Je moet haar niet zo verwennen!’) en bemoeide zich met alles: van onze vakantiebestemmingen tot de kleur van onze gordijnen.

Sophie trok zich steeds verder terug. Ze werd stiller, sliep slecht. ‘Daan,’ zei ze op een avond terwijl Noor boven lag te slapen, ‘ik voel me hier een indringer als jouw moeder er is. Dit is toch ons huis?’

Ik wist het. Maar ik durfde het niet te zeggen tegen mijn moeder. Altijd dat schuldgevoel: zij had alles voor mij opgeofferd, nu moest ik haar toch ook iets teruggeven? Maar wat als dat betekende dat mijn eigen gezin kapotging?

De spanning liep op tot die ene zondagmiddag. Mijn moeder stond ineens weer in de woonkamer, terwijl Sophie net uit de douche kwam in haar badjas.

‘Mam! Je kunt niet zomaar binnenkomen!’ riep ik uit.

Ze haalde haar schouders op: ‘Ik heb toch een sleutel? Dit is ook mijn huis.’

Die avond barstte de bom. Sophie huilde zich in slaap en Noor vroeg de volgende ochtend: ‘Papa, waarom is mama verdrietig?’

Ik wist: het moet anders. Ik moet kiezen.

En nu sta ik hier, tegenover mijn moeder, met de sleutels tussen ons in als symbool van alles wat misging.

‘Je hoeft me niet meer te zien als je dat wilt,’ zegt ze ijzig. ‘Maar vergeet niet wie er altijd voor je was.’

‘Mam…’ Mijn stem breekt. ‘Ik hou van je. Maar ik hou ook van Sophie en Noor. Dit is hun thuis. Ik wil dat jij welkom bent, maar niet op deze manier.’

Ze pakt haar tas, haar schouders recht, haar kin omhoog zoals alleen zij dat kan. ‘Je zult nog wel zien wat je aan haar hebt,’ sist ze voordat ze de deur achter zich dichttrekt.

Het huis voelt leeg, maar ook lichter. Sophie komt voorzichtig de kamer in.

‘Heb je het echt gedaan?’ fluistert ze.

Ik knik en trek haar tegen me aan. Haar tranen maken natte vlekken op mijn overhemd.

‘Dank je,’ zegt ze zacht.

Die nacht lig ik wakker. Schuldgevoel knaagt aan me – heb ik mijn moeder verraden? Of heb ik eindelijk gekozen voor mijn eigen gezin?

De dagen daarna zijn stil. Mijn moeder stuurt geen berichtjes meer; geen appjes met foto’s van oude vakanties of recepten voor stamppot. Noor vraagt wanneer oma weer komt.

Op een woensdagmiddag zie ik haar bij de supermarkt. Ze kijkt me aan, maar loopt door zonder iets te zeggen.

Thuis probeer ik met Sophie te praten over hoe het nu verder moet. ‘Misschien komt het ooit goed,’ zegt ze voorzichtig.

Maar wat als dat niet zo is? Wat als ik voorgoed iets heb gebroken?

Soms hoor ik ’s avonds nog haar stem in mijn hoofd: ‘Je zult nog wel zien wat je aan haar hebt.’ En ik vraag me af: Heb ik het juiste gedaan? Of ben ik nu een zoon zonder moeder én een man met schuld?