Mijn Broer Gaf Alles, Maar Toen Hij Viel, Bleef Hij Alleen: Een Verhaal Over Opoffering en Vergeten Worden

‘Waarom komen ze niet, Els?’ De stem van mijn broer Jan kraakt door de telefoon. Het is een zaterdagavond in maart en de regen tikt onophoudelijk tegen mijn raam in Amersfoort. Ik staar naar de foto van Jan en zijn kinderen op mijn dressoir. Ze lachen, allemaal nog jong, onbezorgd. Maar nu klinkt Jan als een gebroken man.

‘Ze hebben het druk, Jan. Je weet hoe het gaat met jonge gezinnen tegenwoordig,’ probeer ik, maar ik hoor zelf hoe leeg het klinkt. Jan zucht diep. ‘Ik heb alles voor ze gedaan. Alles. En nu…’ Zijn stem breekt af.

Mijn hart trekt samen. Ik weet dat hij gelijk heeft. Jan was altijd de rots van onze familie. Toen onze ouders jong overleden, was hij pas twintig, maar hij nam meteen de zorg voor mij en onze jongste zus Marieke op zich. Later, toen hij zelf kinderen kreeg, werkte hij dubbele diensten in de fabriek in Veenendaal om zijn gezin alles te kunnen geven wat ze nodig hadden. Hij was nooit te moe om te helpen met huiswerk, nooit te druk om naar voetbalwedstrijden te gaan of verjaardagen te organiseren.

Maar nu is Jan ziek. Kanker, uitgezaaid, ongeneeslijk. De artsen hebben hem nog hooguit een paar maanden gegeven. Zijn kinderen – Peter, Sanne en Tom – wonen allemaal in de buurt, maar ze komen nauwelijks langs. ‘Te druk met hun eigen leven’, zeggen ze als ik ernaar vraag.

Die avond na het telefoontje loop ik rusteloos door mijn huis. Mijn man Bert kijkt me bezorgd aan. ‘Je kunt niet alles oplossen, Els,’ zegt hij zacht. Maar ik voel me schuldig. Had ik harder moeten aandringen bij de kinderen? Had ik zelf vaker moeten gaan?

De volgende dag besluit ik Jan te bezoeken. Zijn huis ruikt naar medicijnen en oude koffie. Hij zit in zijn versleten fauteuil, een dekentje over zijn knieën. Zijn gezicht is mager geworden, zijn ogen groot in zijn bleke gezicht.

‘Ze zouden vandaag komen,’ zegt hij zonder op te kijken.

Ik knik en ga naast hem zitten. ‘Misschien komen ze straks nog.’

Maar de uren verstrijken en niemand komt. Ik probeer het gesprek luchtig te houden, vertel over mijn kleinkinderen, over de nieuwe buurvrouw die haar tuin opnieuw aanlegt. Maar Jan luistert nauwelijks. Hij staart uit het raam naar de grijze lucht.

‘Weet je nog,’ zegt hij plotseling, ‘hoe ik Peter leerde fietsen? Hij viel steeds, maar gaf nooit op. En nu…’

Ik leg mijn hand op zijn arm. ‘Misschien weten ze gewoon niet hoe ze hiermee om moeten gaan.’

Jan schudt zijn hoofd. ‘Ze willen het niet zien. Ze willen niet herinnerd worden aan wat ik nu ben: zwak, afhankelijk.’

Die avond bel ik Peter. ‘Je vader wacht op je,’ zeg ik zonder omwegen.

Hij zucht hoorbaar aan de andere kant van de lijn. ‘Mam, we hebben het zo druk met de kinderen en werk… Het is gewoon lastig.’

‘Hij heeft niet lang meer,’ zeg ik zacht.

‘Ik weet het,’ zegt Peter, maar zijn stem klinkt afstandelijk.

De dagen rijgen zich aaneen. Soms komt Sanne even langs met een bos bloemen en een haastige kus op zijn wang. Tom stuurt af en toe een appje: ‘Sterkte pap!’ Maar Jan blijft alleen in zijn huis vol herinneringen.

Op een avond barst ik uit tegen Bert. ‘Hoe kan het dat ze zo hard zijn geworden? Jan heeft alles voor ze gedaan! Waarom laten ze hem nu in de steek?’

Bert haalt zijn schouders op. ‘Misschien zijn ze bang voor hun eigen verdriet. Of misschien weten ze niet hoe ze moeten omgaan met afscheid nemen.’

Maar ik kan het niet accepteren. Ik voel woede branden in mijn borst – op zijn kinderen, op mezelf, op de hele wereld die zo snel lijkt te vergeten wat iemand heeft gegeven.

Op een dag belt Marieke me huilend op. ‘Ik ben bij Jan geweest,’ snikt ze. ‘Hij vroeg of we samen foto’s wilden kijken van vroeger.’

Samen gaan we naar hem toe met een doos oude albums. We bladeren door vergeelde foto’s: Jan als jonge vader met Peter op zijn schouders; Sanne die haar eerste zwemdiploma haalt; Tom die trots zijn rapport laat zien.

Jan glimlacht flauwtjes bij elke foto, maar ik zie de pijn in zijn ogen.

‘Ik heb geprobeerd een goede vader te zijn,’ fluistert hij.

‘Dat ben je geweest,’ zeg ik beslist.

‘Waarom voel ik me dan zo alleen?’

Ik weet geen antwoord.

De weken verstrijken en Jan wordt steeds zwakker. De huisarts stelt voor om thuiszorg in te schakelen, maar Jan weigert eerst koppig.

‘Ik wil mijn kinderen zien, geen vreemden,’ zegt hij.

Uiteindelijk stemt hij toch toe als het echt niet anders kan. De thuiszorgmedewerkster, Anja, is vriendelijk en zorgzaam, maar Jan blijft verlangen naar zijn kinderen.

Op een dag zit ik bij hem als Peter eindelijk binnenkomt. Hij kijkt ongemakkelijk rond, alsof hij zich schaamt voor de geur van ziekte en ouderdom in het huis van zijn vader.

‘Hoi pap,’ zegt hij zacht.

Jan glimlacht zwakjes. ‘Fijn dat je er bent.’

Er valt een ongemakkelijke stilte.

‘Hoe gaat het op je werk?’ vraagt Jan uiteindelijk.

Peter haalt zijn schouders op. ‘Druk zoals altijd.’

Ik zie hoe Jan zich inspant om geïnteresseerd te lijken, maar zijn ogen dwalen steeds af naar Peters handen – dezelfde handen die hij vroeger vasthield toen Peter bang was in het donker.

Na tien minuten staat Peter alweer op. ‘Ik moet weer gaan, pap.’

Jan knikt alleen maar.

Als Peter weg is, barst Jan eindelijk in tranen uit – voor het eerst sinds ik hem ken.

‘Heb ik iets verkeerd gedaan?’ vraagt hij snikkend.

Ik sla mijn armen om hem heen en huil met hem mee.

De laatste weken van Jans leven breng ik zoveel mogelijk bij hem door. Soms komt Marieke ook langs; samen zorgen we dat hij niet helemaal alleen is.

Op een koude ochtend in mei overlijdt Jan rustig in zijn slaap.

Bij de uitvaart spreken Peter, Sanne en Tom mooie woorden over hun vader – over hoe hard hij werkte, hoeveel hij voor hen betekende. Er worden tranen gelaten en herinneringen gedeeld.

Maar als iedereen weg is en ik alleen achterblijf bij zijn graf, voel ik vooral leegte en verdriet om wat had kunnen zijn.

Waarom vergeten we zo snel wat iemand voor ons heeft gedaan? Waarom is liefde en opoffering niet genoeg om nabijheid tot het einde toe te garanderen?

Misschien is dit wel de vraag die we ons allemaal moeten stellen: Wat betekent familie nog als we elkaar het hardst nodig hebben?