Mijn dochter vertrouwde mij haar zoon toe tijdens haar ziekenhuisopname: de familiegeheimen die mijn leven op zijn kop zetten
‘Mam, kun je alsjeblieft op Daan passen? Ik weet niet hoe lang ik in het ziekenhuis moet blijven.’
De stem van mijn dochter Sophie trilde aan de andere kant van de lijn. Ik voelde direct een knoop in mijn maag. ‘Natuurlijk, lieverd,’ antwoordde ik, terwijl ik probeerde mijn bezorgdheid te verbergen. ‘Je weet dat je altijd op mij kunt rekenen.’
Toen ik ophing, keek ik naar Bernard, mijn man. Zijn wenkbrauwen stonden bezorgd omhoog. ‘Wat is er met Sophie?’ vroeg hij zacht.
‘Ze moet opgenomen worden. Ze zegt dat het niet ernstig is, maar…’ Mijn stem stokte. ‘Ze klinkt anders, Bernard. Alsof ze iets verbergt.’
Hij zuchtte en legde zijn hand op mijn schouder. ‘We moeten er voor haar zijn. En voor Daan.’
Die avond, terwijl ik Daans logeerbed opmaakte, dacht ik terug aan Sophies jeugd. Hoe we altijd ons best hadden gedaan om haar een stabiel thuis te geven in ons rijtjeshuis in Amersfoort. Bernard werkte als leraar, ik als verpleegkundige. We hadden nooit veel geld, maar wel veel liefde.
De volgende ochtend stond Sophie met Daan voor de deur. Ze zag er bleek uit, haar ogen rood van het huilen. ‘Mam, alsjeblieft…’ Ze drukte Daan stevig tegen zich aan voordat ze hem losliet en haastig vertrok. Ik wilde haar nog iets vragen, maar de voordeur viel al dicht.
Daan was stil die dag. Hij zat aan tafel met zijn kleurpotloden, maar zijn tekening bleef onafgemaakt. ‘Gaat het, jongen?’ vroeg ik voorzichtig.
Hij keek me aan met grote ogen. ‘Mama zegt dat ik niks mag zeggen over thuis.’
Mijn hart sloeg een slag over. ‘Wat bedoel je daarmee, lieverd?’
Hij haalde zijn schouders op en begon weer te kleuren.
De dagen verstreken langzaam. Sophie stuurde korte appjes: ‘Het gaat wel’, ‘Maak je geen zorgen’. Maar ik voelde dat er iets niet klopte. Daan werd steeds stiller. ’s Nachts hoorde ik hem huilen in zijn slaap.
Op een avond vond ik hem in de gang, trillend van angst. ‘Oma, mag ik bij jou slapen?’
Ik trok hem dicht tegen me aan. ‘Natuurlijk mag dat.’
Terwijl hij naast me lag, fluisterde hij: ‘Papa wordt soms heel boos op mama.’
Mijn adem stokte. ‘Wat bedoel je met boos?’
Daan draaide zich om en trok het dekbed over zijn hoofd. ‘Ik mag er niet over praten.’
Die nacht deed ik geen oog dicht. Mijn gedachten tolden. Had Sophie problemen met Mark? Waarom had ze daar nooit iets over gezegd?
De volgende dag belde ik Bernard op zijn werk. ‘Bernard, ik maak me zorgen om Daan en Sophie. Ik denk dat er thuis iets mis is.’
Hij zuchtte diep. ‘We moeten voorzichtig zijn, Anneke. We kunnen niet zomaar aannames doen.’
‘Maar Bernard, Daan is bang! En Sophie… ze is zo gesloten de laatste tijd.’
‘Misschien moeten we Mark uitnodigen voor een gesprek,’ stelde hij voor.
Die avond belde ik Mark. Zijn stem klonk afstandelijk. ‘Ik heb het druk op mijn werk, Anneke. Sophie heeft je vast van alles wijsgemaakt.’
‘Mark, we maken ons zorgen om Daan en Sophie. Kun je langskomen?’
‘Misschien dit weekend,’ bromde hij voordat hij ophing.
Het weekend kwam en ging zonder teken van Mark. Ondertussen probeerde ik Daan gerust te stellen, maar hij bleef angstig.
Op maandag kreeg ik een telefoontje van het ziekenhuis: Sophie wilde met mij praten.
Ik haastte me naar haar kamer. Ze lag bleek en uitgeput in bed.
‘Mam…’ Haar stem brak.
Ik pakte haar hand vast. ‘Sophie, wat is er aan de hand? Je kunt me alles vertellen.’
Tranen stroomden over haar wangen. ‘Mark… hij… hij slaat me soms. Vooral als hij gedronken heeft.’
Mijn wereld stortte in.
‘Waarom heb je niks gezegd?’ fluisterde ik geschokt.
‘Ik schaamde me zo… En ik was bang dat jullie me zwak zouden vinden.’
Ik voelde woede en verdriet door me heen razen. Hoe had ik dit niet kunnen zien? Mijn eigen dochter, gevangen in een nachtmerrie waar ze niet uit durfde te stappen.
‘Je bent niet zwak, Sophie,’ zei ik vastberaden. ‘Je bent dapper dat je dit vertelt.’
Ze snikte zachtjes en kneep in mijn hand.
De dagen daarna was alles anders. Bernard en ik overlegden met maatschappelijk werkers in het ziekenhuis. We besloten dat Sophie voorlopig bij ons zou komen wonen zodra ze uit het ziekenhuis mocht, samen met Daan.
Toen Mark eindelijk opbelde om te vragen waar Daan was, nam Bernard op.
‘Daan blijft voorlopig bij ons,’ zei hij kalm maar resoluut.
‘Jullie kunnen me niet zomaar buitensluiten!’ schreeuwde Mark door de telefoon.
‘Totdat jij hulp zoekt voor je gedrag, is dit het beste voor iedereen,’ antwoordde Bernard voordat hij ophing.
De weken die volgden waren zwaar. Sophie worstelde met schuldgevoelens en schaamte. Daan had nachtmerries en durfde amper alleen te spelen.
Op een avond zat ik met Sophie aan de keukentafel. Ze staarde naar haar kop thee.
‘Mam… denk je dat ik ooit weer gelukkig word?’
Ik pakte haar hand vast en keek haar diep in de ogen aan.
‘Geluk komt langzaam terug, Sophie. Maar je hebt de eerste stap gezet door jezelf en Daan in veiligheid te brengen.’
Ze glimlachte flauwtjes en veegde een traan weg.
Langzaam keerde de rust terug in huis. Daan begon weer te lachen en te spelen in de tuin met Bernard. Sophie vond steun bij een praatgroep voor vrouwen in soortgelijke situaties.
Toch bleef er iets knagen aan mij: hoe had ik dit niet eerder gezien? Had ik gefaald als moeder? Of had Sophie zich gewoon te goed verstopt achter haar glimlach?
Soms lig ik ’s nachts wakker en denk ik aan alle moeders die misschien hetzelfde meemaken zonder het te weten.
Hebben wij als ouders ooit echt zicht op wat er achter gesloten deuren gebeurt? Of zien we alleen wat we willen zien?