Mijn moeder koos voor hem, niet voor mij – het verhaal van een verloren dochter
‘Waarom doe je me dit aan, mam?’ Mijn stem trilt, mijn handen klemmen zich om de rand van de keukentafel. Buiten regent het zachtjes tegen het raam, maar binnen stormt het. Mijn moeder kijkt me niet aan. Ze roert in haar thee, alsof ze zich verschuilt achter de damp die uit haar mok opstijgt.
‘Sanne, je begrijpt het niet. Je bent volwassen nu, je moet je eigen leven leiden,’ zegt ze zacht. Haar stem klinkt breekbaar, maar ik hoor ook iets hards, iets wat ik niet ken van haar. Mijn moeder, altijd mijn veilige haven, mijn beste vriendin – nu een vreemde.
Ik weet nog goed hoe alles begon te veranderen. Ik was negentien en net begonnen aan mijn studie psychologie in Utrecht. Mijn moeder en ik woonden samen in een klein rijtjeshuis in Amersfoort. Mijn vader was al jaren uit beeld; hij vertrok toen ik zeven was en liet een leegte achter die mijn moeder met liefde probeerde te vullen. We waren altijd samen – samen ontbijten op zondagochtend, samen huilen bij slechte films, samen lachen om de stomste dingen.
Totdat Henk verscheen. Henk met zijn gladde praatjes en zijn te harde lach. Mijn moeder ontmoette hem op haar werk bij de gemeente. In het begin vond ik het leuk voor haar – eindelijk weer iemand die haar liet stralen. Maar al snel veranderde er iets. Ze kwam later thuis, kookte niet meer samen met mij, vergat onze vaste filmavonden. Henk was er altijd. Zijn schoenen in de gang, zijn stem in de woonkamer, zijn geur in haar slaapkamer.
‘Je overdrijft,’ zei ze toen ik er iets van zei. ‘Je moet wennen aan verandering.’ Maar het voelde niet als verandering – het voelde als verlies.
De eerste echte klap kwam op een vrijdagavond. Ik kwam thuis na een tentamen en vond Henk op mijn plek op de bank, zijn arm om mijn moeder heen geslagen alsof hij haar al jaren kende. Ze lachten om iets wat ik niet begreep. Toen ik vroeg of we samen gingen eten, zei ze: ‘Nee lieverd, Henk en ik gaan uit eten vanavond.’
Ik voelde me buitengesloten in mijn eigen huis. Alsof ik een gast was geworden in het leven dat ooit van ons samen was.
De weken daarna werd het erger. Henk bemoeide zich overal mee: mijn studie, mijn vrienden, zelfs mijn kledingkeuze. ‘Je zou eens wat vrouwelijker moeten kleden,’ zei hij eens terwijl hij me opnam met een blik die me kippenvel bezorgde.
Ik zocht steun bij mijn moeder, maar zij lachte het weg. ‘Ach Sanne, Henk bedoelt het goed.’
Op een avond hoorde ik hen ruziën in de keuken. Henk schreeuwde dat ik ondankbaar was, dat ik haar geluk in de weg stond. Mijn moeder huilde. Ik stond boven aan de trap en voelde me verscheurd tussen woede en verdriet.
‘Mam, laat hem toch gaan,’ smeekte ik later die nacht toen ze zachtjes mijn kamer binnenkwam. Haar ogen waren rood van het huilen.
‘Ik kan niet zonder hem,’ fluisterde ze. ‘Ik ben ook maar een mens, Sanne.’
Die woorden sneed harder dan alles wat Henk ooit had gezegd.
Het werd onhoudbaar thuis. Ik voelde me ongewenst, onzichtbaar zelfs. Mijn cijfers gingen achteruit, ik sliep slecht en vermeed het huis zoveel mogelijk. Mijn beste vriendin Lotte bood aan dat ik bij haar kon logeren als het te erg werd.
Toen kwam de dag dat alles definitief veranderde. Ik kwam thuis en vond mijn spullen in dozen in de gang. Mijn moeder stond erbij, haar gezicht strak.
‘Henk en ik willen samen verder,’ zei ze zonder me aan te kijken. ‘Het is tijd dat je op eigen benen gaat staan.’
Ik kon niets uitbrengen. Alles in mij schreeuwde om haar vast te houden, om haar wakker te schudden uit deze nachtmerrie. Maar ze draaide zich om en liep terug naar Henk.
Die avond sliep ik op Lotte’s bank, omringd door dozen vol herinneringen aan een leven dat niet meer bestond.
De maanden daarna waren zwaar. Ik voelde me verloren, verraden door de enige persoon die er altijd voor me was geweest. Lotte probeerde me op te beuren, maar ik kon alleen maar denken aan wat ik kwijt was.
Op een dag belde mijn moeder. Ze wilde afspreken in een café in de stad. Mijn hart bonsde toen ik haar zag zitten bij het raam, haar handen trillend om haar kopje koffie.
‘Sanne…’ begon ze aarzelend. ‘Het spijt me zo.’
Ik wilde haar vergeven, echt waar. Maar elke keer als ik aan thuis dacht, zag ik Henk’s gezicht voor me en voelde ik weer die pijnlijke steek van afwijzing.
‘Waarom koos je voor hem?’ vroeg ik zacht.
Ze keek me aan met ogen vol tranen. ‘Omdat ik bang was om alleen te zijn.’
We praatten urenlang die middag, maar niets kon ongedaan maken wat er gebeurd was.
Nu, jaren later, heb ik mijn eigen leven opgebouwd in Utrecht. Ik heb een lieve vriend, een fijne baan als psycholoog en een klein appartementje vol planten en boeken. Maar soms, als het stil is in huis en de regen tegen het raam tikt zoals toen, voel ik nog steeds die leegte.
Mijn moeder en ik hebben contact – voorzichtig, aftastend – maar het zal nooit meer worden zoals vroeger.
Soms vraag ik me af: hoeveel kun je vergeven? En wat blijft er over als je vertrouwen voorgoed gebroken is?