Mijn oom, mijn schaduw: Een dagboek van verlies en hoop
‘Waarom ben je hier eigenlijk, oom Jan?’ Mijn stem trilde, terwijl ik probeerde mijn blik niet te laten afdwalen naar de lege broodtrommel op tafel. De geur van oude koffie hing als een muffe deken in onze kleine keuken in Amersfoort. Oom Jan haalde zijn schouders op, zijn ogen dwaalden over de vergeelde gordijnen. ‘Omdat ik nergens anders heen kan, Borys. Je moeder heeft me uitgenodigd.’
Ik slikte. Mijn moeder, Marijke, stond met haar rug naar ons toe bij het aanrecht. Haar schouders leken zwaarder dan ooit. ‘We moeten elkaar helpen in deze tijden,’ zei ze zacht, zonder zich om te draaien. Maar ik voelde de spanning in haar stem. Sinds papa drie maanden geleden plotseling overleed aan een hartaanval, was niets meer hetzelfde. Het huis voelde te groot en te leeg, en nu was het ineens weer te vol.
Oom Jan was altijd de buitenstaander geweest. De broer van mijn moeder die jaren geleden met ruzie uit de familie verdween. Niemand sprak over hem, tot hij vorige week ineens op de stoep stond met een plastic tas en een gezicht vol schaamte. ‘Ik heb alles verloren,’ had hij gezegd. ‘Mag ik blijven?’
De eerste dagen probeerde ik hem te ontwijken. Ik had genoeg aan mijn eigen verdriet en de zorgen om geld. Mijn bijbaantje bij de supermarkt bracht nauwelijks iets op, en mijn moeder werkte zich kapot als schoonmaakster op het ziekenhuis. Elke avond telden we de munten in het oude koekblik op de koelkast. Soms huilde ze zachtjes als ze dacht dat ik sliep.
Maar nu zat oom Jan aan onze keukentafel, zijn handen om een mok lauwe thee geklemd. Hij rook naar sigaretten en oude aftershave. ‘Weet je nog, Borys, dat je als kind altijd met me wilde vissen?’ probeerde hij voorzichtig.
‘Dat was lang geleden,’ mompelde ik. ‘Toen was alles anders.’
Hij knikte. ‘Ik heb fouten gemaakt. Maar ik wil het goedmaken.’
De stilte die volgde werd alleen doorbroken door het zachte tikken van de klok. Ik voelde woede opborrelen – op hem, op mijn moeder, op het leven dat ons zo hard had geraakt.
Die avond hoorde ik mijn moeder en oom Jan fluisteren in de woonkamer. Ik lag op mijn kamer, starend naar het plafond, terwijl hun stemmen door de dunne muren sijpelden.
‘Jan, je moet begrijpen dat Borys het moeilijk heeft,’ zei mijn moeder.
‘Ik weet het, Marijke. Maar ik heb niemand anders meer.’
‘We hebben allemaal niemand meer,’ antwoordde ze met gebroken stem.
De volgende ochtend vond ik oom Jan in de tuin, starend naar het onkruid tussen de tegels. ‘Wil je helpen?’ vroeg hij aarzelend.
Ik haalde mijn schouders op en pakte een schepje. In stilte werkten we samen, tot hij plotseling begon te praten over vroeger – over hoe hij en mama als kinderen hutten bouwden in het bos bij Soestduinen, hoe opa altijd mopperde over hun vieze kleren.
Langzaam smolt mijn weerstand. Misschien omdat ik zijn verdriet herkende – dezelfde eenzaamheid die mij ’s nachts wakker hield.
Maar niet alles werd beter. Het geld raakte sneller op dan ooit. De energierekening lag als een dreigend monster op de mat. Op een avond kwam mama thuis met rode ogen. ‘Ze hebben me uren gekort,’ fluisterde ze.
Oom Jan keek haar aan met een mengeling van schaamte en vastberadenheid. ‘Laat mij iets proberen,’ zei hij.
De volgende dag was hij vroeg weg. Pas laat in de middag kwam hij terug met een doos vol boodschappen en een envelop met geld.
‘Waar komt dit vandaan?’ vroeg mama argwanend.
‘Ik heb een oude vriend gebeld,’ zei Jan zacht. ‘Hij had nog werk voor me bij zijn bouwbedrijf.’
Voor het eerst in maanden aten we samen zonder zorgen om wat er morgen op tafel zou staan. Maar de rust was van korte duur.
Een week later stond er politie voor de deur. Oom Jan werd meegenomen voor verhoor – die vriend bleek betrokken bij illegale praktijken op de bouwplaats. Mama stortte in; ik voelde me weer dat bange kind dat niets kon doen.
De dagen daarna waren een waas van angst en onzekerheid. Oom Jan kwam na twee nachten terug – vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs, maar zijn gezicht was grijzer dan ooit.
‘Het spijt me,’ zei hij tegen mij terwijl we samen in de tuin stonden. ‘Ik wilde alleen maar helpen.’
Ik keek hem aan en zag voor het eerst niet alleen de man die alles had verpest, maar ook iemand die net zo hard vocht om niet kopje-onder te gaan.
Langzaam groeide er iets tussen ons – geen vertrouwen misschien, maar wel begrip. We praatten over papa, over gemiste kansen en verloren dromen. Over hoe moeilijk het is om opnieuw te beginnen als alles wat je kende wegvalt.
Op een avond zaten we met z’n drieën aan tafel, kaarslicht flakkerde over onze gezichten omdat we de lampen moesten sparen.
‘Weet je,’ zei mama zacht, ‘misschien is dit wat familie betekent: samen doorgaan, ook als alles tegenzit.’
Oom Jan knikte en pakte haar hand vast. Ik voelde iets warms door me heen stromen – hoop misschien, of gewoon het besef dat we elkaar hadden.
Nu schrijf ik dit in mijn dagboek, luisterend naar hun zachte stemmen beneden. Het leven is nog steeds zwaar – er is geen wonder gebeurd – maar we zijn niet meer alleen.
Soms vraag ik me af: hoeveel kan een mens verliezen voordat hij zichzelf kwijtraakt? En hoeveel heb je nodig om weer op te staan? Wat denken jullie: is familie genoeg om alles te dragen?