Mijn schoondochter heeft het contact met mijn kleinzoon verbroken omdat ik weigerde op haar opstandige zoon te passen

‘Mam, ik weet niet wat ik nog met Daan aan moet. Kun je hem alsjeblieft deze week opvangen?’ De stem van mijn schoondochter, Marloes, trilde aan de telefoon. Ik hoorde de vermoeidheid, de wanhoop. Maar ik voelde ook iets anders: een soort verwijt, alsof ik haar al te vaak had laten zitten.

‘Marloes, ik heb het je al uitgelegd,’ zei ik zacht. ‘Ik kan het fysiek gewoon niet meer aan. Daan is zo druk, zo opstandig. Mijn rug…’

‘Je rug, je rug! Altijd is er wel iets,’ snauwde ze. ‘Weet je wat? Laat maar. Je hoeft hem nooit meer te zien.’

De lijn werd abrupt verbroken. Ik bleef met de hoorn in mijn hand zitten, starend naar het lege scherm. Mijn hart bonsde in mijn borst. Daan, mijn enige kleinzoon, was altijd een levendig kind geweest, maar de laatste jaren was hij veranderd. Op school kreeg hij problemen, thuis was hij brutaal en onhandelbaar. Marloes, zijn moeder, stond er grotendeels alleen voor sinds mijn zoon, haar man, drie jaar geleden bij een verkeersongeluk om het leven kwam. Sindsdien probeerde ik te helpen waar ik kon, maar het werd me steeds zwaarder.

De stilte in mijn kleine appartement in Amersfoort was oorverdovend. Ik dacht aan de keren dat Daan bij me logeerde, hoe hij met zijn autootjes over het tapijt racete, hoe hij me omhelsde als ik hem naar bed bracht. Maar de laatste tijd was hij veranderd. Hij schreeuwde, gooide met spullen, luisterde niet. De laatste keer dat hij hier was, had hij mijn favoriete vaas kapot gegooid toen ik hem vroeg zijn schoenen uit te doen. Ik had hem streng toegesproken, maar hij had me alleen maar uitgelachen.

‘Je bent niet mijn moeder! Jij mag me niks zeggen!’ had hij geroepen. Ik voelde me machteloos, verdrietig, maar ook boos. Waarom moest ik altijd de redder zijn? Waarom kon Marloes hem niet zelf opvoeden?

Die avond zat ik aan de keukentafel, mijn handen om een kop thee geklemd. Mijn dochter, Anouk, belde. ‘Mam, wat is er? Je klinkt zo verdrietig.’

Ik vertelde haar wat er gebeurd was. Ze zuchtte diep. ‘Marloes is gewoon over haar toeren. Ze bedoelt het niet zo. Geef het wat tijd.’

Maar de dagen werden weken. Geen telefoontje, geen berichtje, geen foto’s van Daan. Ik probeerde Marloes te bellen, maar ze nam niet op. Ik stuurde haar een kaartje voor Daan’s verjaardag, maar kreeg het terug met ‘adres onbekend’ erop gekrabbeld. Het voelde alsof iemand een mes in mijn hart stak.

Op een dag stond ik in de supermarkt, toen ik Marloes en Daan zag bij de kassa. Mijn hart sloeg over. Daan was gegroeid, zijn haar was langer, zijn blik nors. Ik liep op ze af, mijn handen trilden. ‘Daan, lieverd!’

Marloes draaide zich om, haar ogen vuur. ‘Blijf uit onze buurt, Elsbeth. Je hebt je keuze gemaakt.’

Daan keek me niet aan. Hij staarde naar de grond, zijn handen diep in zijn zakken. Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Daan, oma mist je zo…’

Marloes trok hem mee naar buiten. Ik bleef achter, midden in de winkel, terwijl mensen me nieuwsgierig aankeken. Ik schaamde me, voelde me klein en alleen. Waarom was het zo gelopen? Had ik harder moeten zijn voor Daan? Of juist zachter? Had ik Marloes meer moeten steunen, haar vaker moeten uitnodigen, haar meer moeten helpen met het huishouden?

’s Nachts lag ik wakker, piekerend. Ik dacht aan mijn eigen moeder, hoe zij altijd zei: ‘Familie is alles, Elsbeth. Je moet vechten voor elkaar.’ Maar ik was moe. Mijn lichaam liet me steeds vaker in de steek. De trap op naar mijn slaapkamer was al een opgave. Hoe moest ik dan een opstandige jongen van tien in toom houden?

Op een dag stond Anouk ineens voor de deur. Ze had bloemen bij zich en een doos bonbons. ‘Mam, je moet niet zo alleen zijn. Kom bij mij logeren. Even eruit.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik wil niet weglopen. Ik wil Daan zien. Ik wil dat Marloes begrijpt dat ik niet kán, niet dat ik niet wíl.’

Anouk zuchtte. ‘Misschien moet je haar een brief schrijven. Gewoon alles uitleggen. Zonder verwijten, alleen je gevoel.’

Die avond zat ik aan mijn bureau. Mijn handen trilden terwijl ik de pen oppakte. ‘Lieve Marloes,’ begon ik. ‘Ik mis jullie. Ik mis Daan. Ik begrijp dat je boos bent, maar geloof me als ik zeg dat ik het niet uit onwil doe. Mijn lichaam laat me in de steek, maar mijn hart niet. Ik hou van jullie, en ik hoop dat je me ooit kunt vergeven.’

Ik stopte de brief in een envelop en bracht hem naar haar huis. Ik durfde niet aan te bellen, dus stopte ik hem in de brievenbus. Dagen gingen voorbij. Geen reactie. Ik voelde me steeds leger, alsof er een stuk van mij ontbrak.

Op een zondagmiddag zat ik in het park, kijkend naar spelende kinderen. Een jongetje rende langs, zijn lach klonk als die van Daan vroeger. Ik voelde tranen over mijn wangen rollen. Een oudere vrouw kwam naast me zitten. ‘Gaat het, mevrouw?’ vroeg ze vriendelijk.

Ik vertelde haar mijn verhaal. Ze knikte begrijpend. ‘Soms moeten we accepteren dat we niet alles kunnen oplossen. Maar liefde blijft, zelfs als de ander dat niet ziet.’

Die nacht droomde ik van Daan. Hij kwam naar me toe, omhelsde me, fluisterde: ‘Oma, ik mis je ook.’ Ik werd huilend wakker. De volgende dag besloot ik een fotoalbum te maken met alle herinneringen aan Daan. Misschien, ooit, zou ik het hem kunnen geven.

De weken werden maanden. Mijn leven kabbelde voort. Ik probeerde me te richten op kleine dingen: een wandeling, een goed boek, een kop koffie met een buurvrouw. Maar het gemis bleef. Soms dacht ik: misschien is dit mijn straf, omdat ik niet genoeg heb gegeven. Of misschien is het gewoon pech, het lot.

Op een dag kreeg ik een kaartje in de bus. Geen afzender, alleen een kindertekening van een zon en een hartje. Ik herkende Daan’s krabbel. Mijn hart maakte een sprongetje. Misschien was er toch nog hoop.

Nu, terwijl ik deze woorden schrijf, vraag ik me af: hoeveel kan een mens verdragen voordat hij breekt? En hoeveel liefde is genoeg, als je niet alles kunt geven wat er van je gevraagd wordt? Misschien zijn er anderen die dit herkennen. Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?