Mijn schoonmoeder doet alsof ze ziek is – en verscheurt mijn gezin: Hoe ver ga je voor familie?
‘Anna, ik kan niet meer… Mijn benen doen zo’n pijn. Kun je alsjeblieft even langskomen?’
De stem van Marijke, mijn schoonmoeder, klonk zwak aan de telefoon. Het was zaterdagochtend, de regen tikte zachtjes tegen het raam van ons appartement in Utrecht. Jeroen, mijn man, keek me vragend aan terwijl ik het gesprek beëindigde.
‘Ze zegt dat ze niet meer kan lopen,’ zei ik zacht.
Jeroen zuchtte. ‘Ze overdrijft altijd, Anna. Maar ja, we kunnen haar niet laten zitten.’
We reden naar haar flat in Overvecht. Marijke zat in haar stoel, een deken over haar benen, haar gezicht bleek. Ze keek me aan met grote, waterige ogen. ‘Ik heb vannacht bijna niet geslapen van de pijn. Niemand geeft om mij.’
Ik voelde een steek van medelijden – en irritatie. De afgelopen maanden had Marijke steeds vaker geklaagd over vage klachten. Eerst haar rug, toen haar hoofd, nu haar benen. Artsen vonden niets. Maar telkens als wij plannen maakten – een weekendje weg, een avondje uit – was er weer iets mis.
‘Misschien moet je toch weer naar de huisarts,’ stelde ik voor.
‘Die luistert toch niet,’ zei ze snibbig. ‘Jullie zijn de enigen die ik nog heb.’
Jeroen liep naar de keuken om thee te zetten. Ik bleef bij Marijke zitten. Ze pakte mijn hand vast, haar vingers koud en klam.
‘Anna… beloof me dat je me niet alleen laat.’
Die avond thuis barstte de bom. Jeroen gooide zijn jas op de stoel en keek me boos aan.
‘Waarom laat je haar zo met je sollen? Ze manipuleert je gewoon!’
‘Ze is jouw moeder!’ riep ik terug. ‘Wat wil je dat ik doe? Haar laten stikken?’
Hij draaide zich om, zijn schouders gespannen. ‘Ik weet het niet meer. Ze zuigt alle energie uit ons leven.’
De weken daarna werd het alleen maar erger. Marijke belde elke dag. Soms huilde ze aan de telefoon, soms schreeuwde ze dat we haar in de steek lieten. Mijn werk leed eronder; ik vergat afspraken, maakte fouten. Jeroen trok zich steeds meer terug, zat avondenlang zwijgend op de bank.
Op een avond kwam ik thuis en vond ik hem in tranen.
‘Ik kan dit niet meer, Anna,’ fluisterde hij. ‘Ze maakt ons kapot.’
Ik knielde naast hem neer en omhelsde hem. ‘We moeten hulp zoeken,’ zei ik zacht.
We spraken met Marijke’s huisarts, die bevestigde wat we al vreesden: lichamelijk was er niets mis. Maar psychisch… misschien was ze eenzaam, depressief. We probeerden haar te overtuigen om met iemand te praten, maar ze weigerde.
‘Jullie denken zeker dat ik gek ben!’ schreeuwde ze door de telefoon.
Op een dag stond ze onverwacht voor onze deur. Ze leunde zwaar op haar wandelstok en keek me smekend aan.
‘Mag ik bij jullie blijven? Ik kan niet meer alleen zijn.’
Ik voelde paniek opkomen. Ons kleine appartement was al krap genoeg voor twee mensen – laat staan drie. Maar Jeroen kon geen nee zeggen tegen zijn moeder.
De weken die volgden waren een hel. Marijke klaagde over alles: het eten was te zout, het bed te hard, de televisie te luid. Ze eiste onze volledige aandacht; als we even samen wilden zijn, begon ze te huilen of kreeg ze ‘plotseling’ pijn.
Op een avond barstte ik uit.
‘Waarom doe je dit? Waarom laat je ons geen moment met rust?’
Marijke keek me aan met een mengeling van woede en verdriet.
‘Jullie begrijpen het niet! Sinds Henk dood is… heb ik niemand meer!’
Ik voelde medelijden – maar ook woede. Mijn eigen moeder woonde in Groningen; zij vroeg nooit iets van me. Waarom moest Marijke zo’n last zijn?
Jeroen en ik begonnen steeds vaker te ruziën. Hij nam het op voor zijn moeder; ik voelde me steeds meer alleen in mijn eigen huis.
Op een dag kwam ik thuis en vond ik Marijke op de grond in de gang. Ze huilde en greep naar haar been.
‘Het doet zo’n pijn…’ snikte ze.
We belden een ambulance; in het ziekenhuis bleek er niets aan de hand. De arts keek ons veelbetekenend aan.
‘Sommige mensen hebben aandacht nodig,’ zei hij zachtjes tegen mij terwijl Marijke even weg was voor een scan.
Thuis barstte ik in tranen uit bij Jeroen.
‘Ik kan niet meer! Ze maakt me gek! Ik voel me schuldig als ik boos ben, maar dit vreet me op!’
Jeroen sloeg zijn armen om me heen.
‘Misschien moeten we grenzen stellen,’ zei hij eindelijk.
Het was makkelijker gezegd dan gedaan. Elke keer als we probeerden afstand te nemen, werd Marijke zieker, verdrietiger, wanhopiger.
Op een avond stond ze midden in de nacht aan mijn bed.
‘Anna… alsjeblieft… laat me niet alleen…’
Ik kon niet meer slapen; mijn werk leed eronder; mijn huwelijk stond op springen.
Toen gebeurde het onvermijdelijke: Jeroen stortte in. Hij kreeg paniekaanvallen, kon niet meer werken. Zijn baas stuurde hem naar huis met een burn-out.
Ik stond er alleen voor: zorgen voor Jeroen én Marijke én mezelf.
Op een dag zat ik huilend op het balkon toen mijn buurvrouw Anja naast me kwam zitten.
‘Je moet voor jezelf kiezen,’ zei ze zachtjes. ‘Sommige mensen willen gewoon niet geholpen worden.’
Die avond besloot ik dat het genoeg was. Ik belde Marijke’s huisarts en vroeg om hulp van maatschappelijk werk. We regelden thuiszorg en dagbesteding voor haar – tegen haar zin in.
Marijke was woedend; ze schreeuwde dat we haar in de steek lieten.
Maar langzaam kwam er rust in huis. Jeroen herstelde langzaam; wij vonden elkaar weer terug.
Soms voel ik nog steeds schuld – als ik Marijke alleen zie zitten in haar flatje, starend naar buiten. Maar ik weet nu: soms moet je jezelf beschermen om anderen te kunnen helpen.
En toch blijft die vraag knagen: Hoe ver ga je voor familie? Wanneer is het genoeg? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?