Mijn schoonmoeder in huis: wat zelfs de beste relaties kan breken
‘Waarom staat die vaas daar? Die hoort toch op de vensterbank?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ria, galmt door onze kleine woonkamer in Utrecht. Ik voel hoe mijn schouders zich automatisch spannen. ‘Omdat ik het zo gezelliger vind, Ria,’ antwoord ik, mijn stem zo neutraal mogelijk. Mijn man, Jeroen, kijkt op van zijn laptop, maar zegt niets. Zoals altijd.
Het begon allemaal zo onschuldig. Toen Jeroens vader overleed, stond Ria er alleen voor. Ze was altijd al een beetje afhankelijk geweest van haar man, en nu, zonder hem, leek ze te verdrinken in haar eenzaamheid. Jeroen vond het vanzelfsprekend dat ze bij ons kwam wonen. ‘Het is maar tijdelijk, schat,’ zei hij. ‘Tot ze haar draai weer vindt.’
Dat was nu acht maanden geleden. Acht maanden waarin ik mijn huis stukje bij beetje verloor. Mijn routines, mijn privacy, zelfs mijn geur in de woonkamer werd overstemd door haar zware parfum. Ria was overal. Ze stond ’s ochtends als eerste op, zette koffie zoals zij dat lekker vond, en liet haar krant verspreid over de eettafel liggen.
‘Ik snap niet waarom je altijd zo laat opstaat, Anna. Vroeger was ik om zes uur al bezig met het huishouden,’ zegt ze op een ochtend, terwijl ik mijn eerste slok koffie neem. Ik glimlach flauwtjes. ‘Ik werk tot laat, Ria. Dan slaap ik graag wat langer uit.’
Ze zucht. ‘Ja, ja, de moderne vrouw. Alles moet anders tegenwoordig.’
Jeroen probeert het goed te maken. ‘Mam bedoelt het niet zo, Anna. Ze is gewoon nog aan het wennen.’ Maar ik weet beter. Ria is niet aan het wennen, ze is aan het overnemen. Mijn vrienden komen minder vaak langs. ‘Het is zo druk bij jullie,’ zeggen ze. Of: ‘Je schoonmoeder is zo aanwezig, Anna.’
Op een avond, als ik thuiskom van mijn werk, ruik ik iets vreemds. Ria staat in de keuken, een pan stamppot op het vuur. ‘Ik dacht, ik maak eens wat fatsoenlijks. Jullie eten altijd van die buitenlandse dingen.’
‘Ik had eigenlijk al gekookt, Ria,’ zeg ik zacht. Ze kijkt me aan, haar blik scherp. ‘Ach, dat kan morgen wel. Jeroen houdt van stamppot, toch jongen?’
Jeroen knikt, ongemakkelijk. ‘Ja, mam.’
We eten in stilte. Ik voel me een indringer in mijn eigen huis. Na het eten ruim ik op, terwijl Ria met Jeroen op de bank zit en oude fotoalbums bekijkt. Ik hoor haar fluisteren: ‘Vroeger was het hier gezelliger, hè?’
’s Nachts lig ik wakker. Ik draai me om, kijk naar Jeroen. ‘Hoe lang nog?’ fluister ik. Hij slaapt. Of doet alsof.
De weken gaan voorbij. Ria bemoeit zich met alles. Mijn kleding (‘Die jurk maakt je dik’), mijn werk (‘Je bent nooit thuis’), zelfs mijn relatie. Op een dag, als Jeroen en ik ruzie hebben over iets kleins, hoor ik haar fluisteren: ‘Vroeger was hij altijd zo vrolijk. Sinds jij er bent…’
Ik voel de tranen branden. Ik wil schreeuwen, maar ik slik het in. Ik wil niet de vrouw zijn die haar schoonmoeder het huis uit jaagt. Maar ik ben moe. Zo moe.
Op een zondagmiddag barst de bom. Ik zit op de bank, probeer een boek te lezen. Ria komt binnen, haar gezicht op onweer. ‘Anna, ik wil dat je ophoudt met die onzin. Jeroen verdient beter. Je zorgt niet goed voor hem, voor dit huis. Alles is veranderd sinds jij hier bent.’
Ik leg mijn boek neer. Mijn handen trillen. ‘Ria, dit is ook mijn huis. Ik doe mijn best, maar ik kan het je blijkbaar nooit naar de zin maken.’
Ze snuift. ‘Je best? Je weet niet eens wat dat betekent. Je denkt alleen aan jezelf. Vroeger…’
‘Vroeger is voorbij, mam!’ Jeroen staat ineens op. Zijn stem trilt. ‘Dit is ons leven nu. Anna is mijn vrouw. Je moet haar respecteren.’
Ria kijkt hem aan, haar ogen vol tranen. ‘Dus ik moet weg?’
Jeroen zucht diep. ‘Nee, mam. Maar je moet accepteren dat dingen veranderen. Anna hoort hier ook.’
Die avond is het stil in huis. Ria eet niet mee. Jeroen en ik zitten zwijgend aan tafel. Ik voel me schuldig, maar ook opgelucht. Voor het eerst in maanden heb ik het gevoel dat iemand voor mij opkomt.
De dagen daarna verandert er weinig. Ria blijft afstandelijk, maar haar opmerkingen worden minder scherp. Jeroen probeert de sfeer te redden, maar het is alsof er iets onherstelbaar kapot is gegaan. Mijn vrienden komen weer langs, maar het is nooit meer zoals vroeger. Ik voel me schuldig om mijn opluchting als Ria eindelijk aankondigt dat ze een eigen appartement heeft gevonden.
Op de dag dat ze vertrekt, staat ze in de deuropening, haar koffers naast zich. Ze kijkt me aan, haar blik zachter dan ik gewend ben. ‘Het spijt me, Anna. Ik dacht dat ik het beste deed voor mijn zoon. Maar misschien heb ik het alleen maar moeilijker gemaakt.’
Ik knik. ‘We hebben allemaal ons best gedaan, Ria. Misschien was het gewoon te veel.’
Ze knikt, draait zich om en loopt weg. Jeroen slaat zijn arm om me heen. ‘Het spijt me, Anna. Echt.’
Ik kijk naar de lege gang, voel de stilte in huis. Het is eindelijk weer van ons. Maar ik weet ook dat er iets veranderd is. Iets wat niet meer terugkomt.
Soms vraag ik me af: hoeveel kan een relatie verdragen voordat het breekt? En wie zijn we nog, als we alles voor de ander proberen te doen, maar onszelf verliezen? Wat zouden jullie doen in mijn plaats?