Mijn Vader, Zijn Leugen en Mijn Gebroken Vertrouwen
‘Je begrijpt het niet, Eva! Het is echt dringend. De dokter zegt dat ik het geld deze week nog moet hebben, anders…’
Mijn vader’s stem trilde aan de andere kant van de lijn. Ik stond in de keuken van mijn kleine appartement in Utrecht, mijn hand om het aanrecht geklemd. Mijn hoofd tolde. ‘Maar pap, waarom heb je zo’n groot bedrag nodig? Je zei vorige maand nog dat alles goed ging met je gezondheid.’
‘Eva, luister nou gewoon. Je hebt toch net promotie gekregen? Je verdient nu meer dan genoeg. Ik vraag dit niet zomaar. Het is een kwestie van leven of dood.’
Zijn woorden sneden door me heen. Mijn vader, Pieter van Dijk, was altijd een trotse man geweest. Sinds mama drie jaar geleden overleed aan kanker, was hij veranderd: stiller, afstandelijker, maar soms ook wanhopig. Ik had hem beloofd er altijd voor hem te zijn. Maar dit… dit voelde anders.
Toch kon ik niet weigeren. De angst om hem ook te verliezen was te groot. Dus regelde ik het geld – een lening bij de bank, met een rente waar ik nachten van wakker lag. Alles om hem te redden.
Een week later stond ik bij hem op de stoep in Amersfoort met het geld in een envelop. Hij zag er moe uit, maar zijn ogen glommen toen hij het bedrag zag.
‘Dankjewel, meisje,’ fluisterde hij en trok me in een omhelzing die langer duurde dan normaal.
De dagen daarna hoorde ik weinig van hem. Geen updates over de operatie, geen berichten over hoe hij zich voelde. Toen ik hem belde, nam hij vaak niet op. Mijn zorgen groeiden met de dag.
Totdat ik op een zaterdagochtend een foto kreeg doorgestuurd van mijn nichtje Sanne: ‘Kijk nou wie ik op Facebook tegenkwam!’
Op de foto stond mijn vader, breed lachend naast een fonkelende gokautomaat in Las Vegas. Zijn arm om een onbekende vrouw geslagen, een cocktail in zijn hand.
Mijn hart sloeg over. Ik voelde woede, verdriet en ongeloof tegelijk. Hoe kon hij? Hoe kon hij mij zo bedriegen?
Ik belde hem direct. Na vijf keer overgaan nam hij op.
‘Pap? Waar ben je?’ Mijn stem trilde van woede.
‘Eva… Ik kan het uitleggen.’
‘Je zou geopereerd worden! Je hebt me alles laten lenen voor je gezondheid en nu zie ik je in Las Vegas?!’
Hij zweeg even. ‘Ik dacht… Ik dacht dat als ik eenmaal goed zou winnen, ik alles terug kon betalen. En meer zelfs! Je weet toch hoe slecht het financieel met me gaat sinds mama er niet meer is.’
‘Dus je liegt tegen je dochter, laat haar zich in de schulden steken en denkt dat gokken alles oplost?’
Zijn stilte was oorverdovend.
Die nacht sliep ik niet. Mijn gedachten draaiden rondjes: had ik iets kunnen doen om dit te voorkomen? Was dit mijn schuld omdat ik hem niet genoeg had gesteund na mama’s dood?
De weken erna probeerde ik hem te bereiken, maar hij bleef vaag en ontwijkend. Mijn broer Jeroen – die altijd al een moeizame relatie met papa had – was woedend toen hij het hoorde.
‘Zie je wel,’ zei Jeroen tijdens een familie-etentje waar papa schitterde door afwezigheid, ‘hij denkt alleen aan zichzelf sinds mam er niet meer is. Jij bent altijd de goedgelovige geweest.’
‘Misschien heeft hij hulp nodig,’ zei ik zachtjes.
‘Misschien moet jij eens aan jezelf denken,’ beet Jeroen terug.
Op kantoor merkte mijn collega Marieke dat ik afwezig was.
‘Gaat het wel?’ vroeg ze tijdens de lunchpauze.
Ik barstte in tranen uit en vertelde haar alles.
‘Wat erg,’ zei ze. ‘Maar Eva, je kunt niet verantwoordelijk zijn voor zijn keuzes. Je hebt gedaan wat je kon.’
Toch voelde het niet zo. De bank stuurde inmiddels herinneringen voor de aflossing van de lening. Mijn spaargeld slonk zienderogen. Elke maand moest ik kiezen tussen boodschappen of een extra aflossing.
Op een dag stond mijn vader ineens voor mijn deur. Hij zag er ouder uit dan ooit, zijn schouders gebogen.
‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg hij zachtjes.
Ik knikte zwijgend en zette thee.
‘Het spijt me, Eva,’ begon hij toen we tegenover elkaar aan tafel zaten. ‘Ik weet dat ik alles verpest heb. Ik… Ik wist gewoon niet meer hoe ik verder moest na mama.’
‘En dus loog je tegen mij?’ Mijn stem brak.
Hij knikte beschaamd.
‘Ik dacht echt dat als ik won… Maar natuurlijk verloor ik alles. En nu heb jij de ellende.’
We zaten lang stil. De klok tikte luid in de kamer.
‘Wat nu?’ vroeg ik uiteindelijk.
‘Ik wil hulp zoeken,’ zei hij zachtjes. ‘Voor mijn gokprobleem. En… misschien kunnen we samen proberen deze puinhoop op te ruimen.’
Het was geen vergeving, maar het was een begin.
De maanden daarna waren zwaar. Mijn vader ging naar de verslavingszorg in Amersfoort en probeerde kleine baantjes te vinden om mij terug te betalen. Jeroen bleef boos en wilde niets meer met papa te maken hebben.
Soms voelde het alsof onze familie definitief gebroken was. Maar op andere dagen – als papa me appte na een moeilijke therapiesessie, of als we samen koffie dronken zonder woorden – voelde ik hoop.
Toch blijft het knagen: hoe ver moet je gaan voor familie? Wanneer is liefde sterker dan verraad? En kan vertrouwen ooit echt worden hersteld?
Misschien hebben jullie daar antwoorden op… Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?