Mijn zoon bezoekt me stiekem – en ik heb hem alles gegeven

‘Mam, ik kan niet lang blijven. Als Eva erachter komt…’

Zijn stem trilt, zijn ogen schieten onrustig naar de klok boven de keukendeur. Ik knik, maar mijn hart bonkt in mijn borst. Daan, mijn enige zoon, zit tegenover me aan de keukentafel waar ik hem als kind havermoutpap voerde. Nu drinkt hij zijn koffie haastig, alsof hij elk moment betrapt kan worden.

‘Daan, je hoeft je niet te verstoppen om je moeder te zien,’ fluister ik. Maar ik weet dat het niet waar is. Sinds hij met Eva is getrouwd, is alles anders. Zij duldt mij niet in hun leven. En Daan… Daan zwijgt, buigt zijn hoofd, en komt alleen nog als zij werkt of naar haar ouders is.

Ik kijk naar zijn handen – grote, sterke handen die ooit mijn gezicht vasthielden toen hij als jongetje huilend thuiskwam omdat hij weer gepest was op school. Ik was er altijd voor hem. Zijn vader was allang verdwenen toen Daan nog maar een baby was. ‘Het is jouw probleem,’ zei Mark, zijn vader, op een regenachtige avond toen ik hem smeekte om te blijven. ‘Ik ben hier niet voor gemaakt.’ Hij pakte zijn jas en liep de deur uit. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien.

Daan was alles wat ik had. Ik werkte nachtdiensten in het ziekenhuis, poetste overdag bij mensen thuis, en spaarde elke cent voor zijn toekomst. Toen hij op zijn achttiende vertelde dat hij wilde studeren in Utrecht, huilde ik van trots én verdriet. Maar ik liet hem gaan – want zo hoort dat als moeder.

‘Mam, ik moet echt gaan,’ zegt Daan nu zacht. Hij staat op en drukt een vluchtige kus op mijn wang. ‘Ik bel je snel weer.’

De voordeur valt dicht en de stilte in huis is oorverdovend. Ik loop naar het raam en zie hoe hij haastig naar zijn fiets loopt, steeds om zich heen kijkend. Alsof hij iets verkeerds doet.

Die avond bel ik mijn zus Marleen. ‘Hij komt alleen nog stiekem langs,’ zeg ik met gebroken stem. ‘Alsof ik een misdaad ben.’

‘Je moet hem laten kiezen,’ zegt Marleen fel. ‘Hij is volwassen. Hij moet voor jou opkomen.’

Maar zo simpel is het niet. Eva heeft Daan volledig in haar greep. Ze vindt mij te bemoeizuchtig, te aanwezig. De eerste jaren probeerde ik het goed te maken – kocht bloemen voor haar verjaardag, nodigde hen uit voor etentjes. Maar Eva kwam steeds minder vaak mee. Op een dag zei ze: ‘We hebben onze eigen familie nu.’

Ik slikte mijn tranen weg en glimlachte dapper toen ze wegging met Daan aan haar zijde.

De weken verstrijken. Soms krijg ik een appje van Daan: ‘Drukke week, mam. Volgende keer kom ik langs.’ Maar die volgende keer komt steeds minder vaak.

Op een zondagmiddag sta ik in de supermarkt als ik Eva tegenkom bij de groenteafdeling. Ze kijkt me strak aan, haar mond een dunne streep.

‘Dag Eva,’ zeg ik voorzichtig.

Ze knikt kort. ‘Daan heeft het druk.’

‘Ik weet het,’ antwoord ik zacht.

Ze draait zich om zonder iets te zeggen en loopt weg. Mijn handen trillen als ik de appels in mijn tas stop.

Thuis staar ik naar de foto’s op de schouw: Daan als peuter met stroblond haar, Daan op zijn eerste fiets, Daan in toga bij zijn afstuderen – altijd met mij aan zijn zijde. Waar is het misgegaan?

Op een avond krijg ik een telefoontje van Daan. Zijn stem klinkt gespannen.

‘Mam… Eva is zwanger.’

Mijn hart slaat over van blijdschap én angst.

‘Wat geweldig nieuws!’ roep ik uit.

Maar Daan zwijgt even. ‘We willen het rustig houden… Eva wil voorlopig geen bezoek.’

Ik voel hoe de grond onder mijn voeten wegzakt.

‘Maar… ik ben toch ook familie?’ fluister ik.

‘Mam, het is gewoon beter zo,’ zegt hij zacht.

Die nacht slaap ik niet. Ik denk aan hoe ik Daan als baby vasthield, hoe hij in mijn armen lag terwijl de regen tegen het raam tikte. Hoe vaak heb ik mezelf beloofd dat hij zich nooit alleen zou voelen? En nu ben ík degene die alleen achterblijft.

De maanden gaan voorbij. Ik zie Daan nauwelijks meer. Soms stuurt hij een foto van de baby – een jongetje met donkere haartjes en grote ogen. Mijn kleinzoon, die ik nog nooit heb vastgehouden.

Op een dag staat Daan ineens voor de deur, met wallen onder zijn ogen en een gebroken blik.

‘Mam… Ik weet niet wat ik moet doen,’ zegt hij zacht.

Ik trek hem in mijn armen en voel hoe hij trilt.

‘Eva wil niet dat je de baby ziet,’ fluistert hij. ‘Ze zegt dat je je overal mee bemoeit.’

Ik slik mijn trots in en vraag: ‘Wat wil jíj, Daan?’

Hij kijkt me aan met ogen vol schuldgevoel en verdriet.

‘Ik wil dat jullie elkaar leren kennen… Maar ik wil ook geen ruzie thuis.’

We zitten uren samen aan tafel, praten over vroeger, over nu, over hoe alles zo ingewikkeld is geworden. Ik vertel hem dat liefde soms betekent dat je loslaat – maar dat het ook betekent dat je blijft vechten voor wat belangrijk is.

De weken daarna zie ik Daan af en toe stiekem – altijd snel, altijd met schuldgevoelens. Soms brengt hij foto’s van de baby mee, soms alleen verhalen.

Op een dag belt Eva me onverwacht op.

‘U moet stoppen met Daan onder druk zetten,’ zegt ze kil.

‘Ik wil alleen mijn zoon zien… en mijn kleinzoon leren kennen,’ antwoord ik trillend.

‘Wij bepalen zelf wie er in ons leven komt,’ zegt ze hard.

Na dat gesprek huil ik urenlang. Niet om mezelf – maar om alles wat verloren lijkt te zijn gegaan tussen mij en mijn zoon.

Op een koude winteravond staat Daan weer voor de deur. Hij huilt openlijk nu.

‘Mam… Ik weet niet meer wie ik ben zonder jou én zonder Eva,’ snikt hij.

Ik houd hem vast zoals vroeger – stevig, beschermend, alsof ik hem weer tegen de wereld kan beschermen.

‘Je hoeft niet te kiezen,’ fluister ik uiteindelijk. ‘Maar vergeet nooit wie er altijd voor je was – en altijd zal zijn.’

Als hij weggaat, blijft er een leegte achter die groter is dan ooit tevoren.

Soms vraag ik me af: Heb ik te veel gegeven? Of juist te weinig? Hoeveel kan een moederhart verdragen voordat het breekt?

Zou jij kunnen kiezen tussen liefde voor je moeder en vrede in je eigen gezin? Wat zou jij doen als je in Daans schoenen stond?