Mijn zoon sloopte het huis dat ik voor zijn zus wilde – en nu weet ik niet meer wie ik kan vertrouwen

‘Bart, alsjeblieft, luister nou eens!’ Mijn stem trilt terwijl ik de deur van zijn kamer open duw. De geur van bier en oude pizza slaat me tegemoet. Bart zit op zijn bed, zijn blik op het scherm van zijn telefoon geplakt. ‘Wat nou weer, mam?’ snauwt hij zonder op te kijken.

Ik voel mijn hart bonzen in mijn borst. ‘We moeten praten. Over het huis. Over je toekomst.’

Hij zucht diep, rolt met zijn ogen en gooit zijn telefoon op het bed. ‘Ik weet het al, hoor. Je wilt dat ik wegga omdat Anne het appartement krijgt. Je hoeft niet te doen alsof het om mij gaat.’

Zijn woorden snijden door me heen. Hoe is het zover gekomen? Bart was altijd mijn lieve, gevoelige jongen. Maar sinds zijn vader en ik uit elkaar zijn, is hij veranderd. Driftig, onbereikbaar, soms ronduit gemeen. Ik heb hem alles gegeven wat ik kon, maar het lijkt nooit genoeg.

‘Bart, je bent 24. Je hebt geen baan, je betaalt geen huur, en Anne heeft het echt nodig nu ze gaat studeren in Utrecht. Jij hebt beloofd dat je zou zoeken naar iets voor jezelf.’

Hij springt op, zijn gezicht rood van woede. ‘Jij kiest altijd haar kant! Altijd! Ik ben je zoon, mam! Waarom moet ík altijd wijken?’

Ik probeer rustig te blijven, maar mijn handen trillen. ‘Het gaat niet om kiezen, Bart. Het gaat om verantwoordelijkheid nemen. Je zus heeft een kans nodig en jij…’

‘Jij snapt er niks van!’ schreeuwt hij opeens. Hij stormt langs me heen de gang op, slaat de deur naar de woonkamer zo hard dicht dat de schilderijen van de muur trillen.

Die nacht slaap ik nauwelijks. Ik hoor Bart beneden rommelen, deuren slaan, muziek hard aanzetten en weer uitdoen. Mijn maag draait zich om bij elke klap. Ik weet dat hij boos is, maar dit… dit voelt anders.

De volgende ochtend word ik gewekt door een oorverdovend lawaai. Ik ren naar beneden en zie tot mijn afgrijzen dat Bart met een hamer op de keukenkastjes inslaat. De koelkastdeur hangt scheef, de muur is bekrast met zwarte stift.

‘Bart! Stop! Wat doe je?!’ gil ik.

Hij kijkt me aan met een blik die ik niet herken – koud, leeg, alsof hij me niet meer ziet als zijn moeder.

‘Als ik hier niet mag blijven, dan niemand,’ zegt hij kil.

Ik probeer hem tegen te houden, maar hij duwt me ruw opzij. Tranen branden in mijn ogen terwijl ik machteloos toekijk hoe hij alles sloopt waar ik zo hard voor heb gewerkt.

Anne komt net binnen als Bart de woonkamer kort en klein slaat. Ze gilt het uit en probeert hem tegen te houden, maar hij duwt haar weg. ‘Blijf uit mijn buurt!’ schreeuwt hij.

Uiteindelijk bel ik in paniek mijn ex-man, Erik. Hij komt meteen en samen weten we Bart te kalmeren – of eigenlijk: uit huis te krijgen. Hij gooit nog een laatste stoel omver voordat hij de deur achter zich dichtsmijt.

Het huis is een ravage. De bank is gescheurd, de tv ligt in scherven, overal liggen brokstukken van wat ooit ons thuis was. Anne zit huilend op de trap, haar handen voor haar gezicht.

‘Waarom doet hij dit?’ snikt ze.

Ik weet het niet meer. Ik voel me leeg, verslagen, schuldig zelfs – had ik dit kunnen voorkomen? Heb ik gefaald als moeder?

De dagen daarna probeer ik het huis op te ruimen, maar elke kras en elke barst doet pijn. Mijn buren fluisteren achter hun gordijnen; vrienden sturen ongemakkelijke berichtjes: ‘Sterkte…’ Niemand weet wat ze moeten zeggen.

Erik en ik praten urenlang over Bart. Hij is ook radeloos: ‘Misschien hadden we hem eerder moeten helpen… of strenger moeten zijn.’ Maar wat helpt dat nu nog?

Bart laat niets van zich horen. Geen appje, geen telefoontje – alleen stilte.

Anne probeert dapper te zijn, maar haar ogen staan dof als ze haar koffers inpakt voor Utrecht. ‘Mam… misschien moet ik toch maar een kamer zoeken daar,’ zegt ze zachtjes.

‘Nee,’ zeg ik meteen. ‘Dit was jouw huis. Jouw kans.’ Maar diep vanbinnen weet ik dat alles veranderd is.

’s Nachts lig ik wakker en herhaal ik elk gesprek met Bart in mijn hoofd. Had ik hem meer moeten steunen? Minder moeten eisen? Of was dit onvermijdelijk na alles wat we hebben meegemaakt?

Op een avond krijg ik een berichtje van Bart: ‘Sorry mam.’ Meer niet.

Ik staar minutenlang naar die twee woorden. Woede en verdriet vechten om voorrang in mijn borst. Kan ik hem ooit vergeven? Wil ik dat wel?

De weken gaan voorbij. Het huis wordt langzaam weer bewoonbaar, maar de littekens blijven – niet alleen in het hout en het gips, maar vooral in mijn hart.

Soms zie ik Bart lopen in het dorp, zijn capuchon diep over zijn hoofd getrokken. We kijken elkaar niet aan.

Anne woont nu in Utrecht en belt elke dag even: ‘Hoe gaat het mam?’ Ik zeg altijd: ‘Goed hoor lieverd,’ maar zij hoort aan mijn stem dat het niet waar is.

Op een dag staat Bart ineens voor de deur. Zijn ogen zijn rood, zijn wangen ingevallen.

‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt hij zachtjes.

Ik aarzel even – alles in mij wil hem omhelzen én wegsturen tegelijk.

‘Kom maar,’ fluister ik uiteindelijk.

We zitten urenlang zwijgend aan tafel. Hij zegt niets over wat er gebeurd is; ik ook niet. Maar ergens tussen de stilte door voel ik dat er nog iets over is van wat we ooit hadden – een sprankje hoop misschien.

’s Nachts vraag ik me af: wanneer weet je als moeder dat je genoeg hebt gedaan? Wanneer mag je loslaten? Of is liefde juist blijven proberen – zelfs als alles kapot lijkt?

Wat zouden jullie doen als je kind alles sloopt wat je hebt opgebouwd? Kun je ooit echt vergeven?