Onder de Hollandse Lucht: Mijn Leven als Tienerouder
‘Waarom luister je nooit naar me, Emma?’ Daan’s stem trilt van frustratie terwijl hij zijn handen door zijn haar haalt. De geur van zijn goedkope aftershave mengt zich met de muffe lucht van onze kleine flat in Almere. Ik kijk naar de wieg in de hoek, waar onze dochter Noor zachtjes slaapt. Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Ik luister wél, Daan. Maar jij begrijpt niet hoe zwaar het voor mij is. Jij gaat gewoon naar school, ziet je vrienden nog. Ik zit hier de hele dag alleen met Noor.’
Het is een koude dinsdagavond in maart. Buiten tikt de regen tegen het raam. Ik ben achttien en moeder. Daan is negentien en probeert zijn mbo-opleiding af te maken. We zijn samen sinds de vierde klas van het vmbo, maar sinds Noor er is, voelt alles anders. De liefde die ooit vanzelfsprekend was, lijkt nu een luxe die we ons niet meer kunnen veroorloven.
Mijn moeder zei altijd: ‘Kind, je moet eerst je diploma halen voordat je aan kinderen begint.’ Maar toen ik die ene keer vergat mijn pil te nemen en Daan en ik dachten dat het ons niet zou overkomen… Tja, daar lag Noor ineens in mijn armen. Mijn vader sprak weken niet tegen me toen hij het hoorde. ‘Je hebt je toekomst verpest,’ zei hij uiteindelijk, zijn stem koud als ijs.
De eerste maanden waren een waas van slapeloze nachten, huilbuien – van Noor én van mij – en ruzies met Daan over wie er nu weer uit bed moest om haar te troosten. Mijn vriendinnen kwamen steeds minder langs. Ze hadden hun eigen leven: festivals, uitgaan in Amsterdam, plannen maken voor verre reizen. Ik keek naar hun Instagramfoto’s terwijl ik Noor haar fles gaf en voelde me ouder dan mijn jaren.
‘Emma, je moet echt weer naar school,’ zei mijn moeder op een dag terwijl ze de vaatwasser uitruimde. ‘Je kunt niet je hele leven afhankelijk blijven van de bijstand.’
‘Hoe dan? Wie past er op Noor? Jij werkt fulltime, papa wil niks met haar te maken hebben en Daan…’
‘Daan moet ook zijn verantwoordelijkheid nemen,’ onderbrak ze me fel.
Maar Daan was steeds vaker weg. Eerst zei hij dat hij moest leren voor school, maar ik rook de sigarettenrook aan zijn jas als hij thuiskwam – hij rookte nooit thuis – en soms vond ik bioscoopkaartjes in zijn broekzakken. Toen ik hem ermee confronteerde, ontkende hij alles.
‘Emma, ik heb gewoon tijd voor mezelf nodig! Alles draait altijd om Noor en jou. Ik ben ook nog jong!’
Ik voelde me verraden, maar ergens begreep ik hem ook. We waren allebei kinderen die te snel volwassen moesten worden.
Op een avond kwam ik thuis van een wandeling met Noor en zag ik Daan op de bank zitten met een meisje dat ik vaag kende van school: Sanne. Ze lachten om iets op zijn telefoon. Toen ze mij zagen, sprong Sanne op.
‘Sorry, ik… ik wist niet dat je thuis zou zijn,’ stamelde ze.
Daan keek me niet aan. ‘We deden niks verkeerds.’
Die nacht sliep ik bij mijn moeder. Noor lag tussen ons in, haar kleine handje om mijn vinger geklemd. Mijn moeder streek door mijn haar zoals ze vroeger deed toen ik klein was.
‘Het komt goed, meisje,’ fluisterde ze. Maar ik geloofde haar niet.
De weken daarna werd het alleen maar kouder tussen Daan en mij. We spraken alleen nog over Noor: wie haar naar het consultatiebureau bracht, wie luiers moest kopen, wie haar ’s nachts zou troosten. De liefde was weg, vervangen door een soort zakelijke samenwerking die steeds stroever verliep.
Op een dag kwam Daan thuis met een besluit: ‘Ik ga bij mijn moeder wonen. Dit werkt niet meer.’
Ik voelde iets breken in mij, maar ik was te moe om te huilen. ‘En Noor dan?’ vroeg ik alleen maar.
‘Ik blijf haar zien. Maar we moeten allebei verder.’
De maanden daarna waren een waas van papierwerk: kinderbijslag aanvragen, afspraken maken over bezoekregelingen, gesprekken met maatschappelijk werkers die vroegen of ik het allemaal wel aankon.
Soms dacht ik aan hoe het had kunnen zijn als ik geen moeder was geworden op mijn achttiende. Misschien had ik gestudeerd in Utrecht of Groningen, had ik vriendinnen gehad die me meenamen naar feestjes in plaats van luiers te komen brengen.
Maar dan keek ik naar Noor – haar grote blauwe ogen, haar lachje als ze me herkende – en voelde ik iets wat sterker was dan spijt: liefde. Onvoorwaardelijk en allesoverheersend.
Toch bleef het moeilijk. Mijn vader bleef afstandelijk; hij kwam alleen langs op verjaardagen en keek dan vooral naar zijn schoenen. Mijn moeder probeerde te helpen waar ze kon, maar haar geduld raakte soms ook op.
‘Je moet echt aan jezelf denken, Emma,’ zei ze op een avond terwijl Noor sliep en wij samen thee dronken aan de keukentafel.
‘Hoe dan?’ vroeg ik zacht.
Ze pakte mijn hand vast. ‘Door hulp te vragen als het niet gaat. Door niet alles alleen te willen doen.’
Langzaam begon ik weer te dromen over een toekomst voor mezelf én Noor. Ik schreef me in voor een deeltijdopleiding pedagogisch medewerker en vond een oppas via een kennis uit de buurt. Het was zwaar – elke dag haasten tussen school, opvang en thuis – maar voor het eerst voelde ik weer hoop.
Daan bleef in Noor’s leven, al was het soms stroef tussen ons. Op een dag zaten we samen in het park terwijl Noor op het klimrek speelde.
‘Denk je dat we ooit vrienden kunnen zijn?’ vroeg hij voorzichtig.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Misschien wel. Voor Noor wil ik dat proberen.’
Hij knikte langzaam. ‘Het spijt me dat het zo gelopen is.’
‘Mij ook,’ zei ik eerlijk.
Nu ben ik drieëntwintig en bijna klaar met mijn opleiding. Noor is vijf en begint na de zomer aan groep 3. Soms kijk ik naar haar terwijl ze slaapt en vraag ik me af of ik haar genoeg kan geven; of ze later zal begrijpen waarom haar ouders uit elkaar gingen voordat ze zich echt konden hechten aan elkaar.
Maar één ding weet ik zeker: ondanks alles heb ik gekozen voor haar – en daarmee ook voor mezelf.
Was het anders gelopen als ik andere keuzes had gemaakt? Misschien wel. Maar zou ik dan dezelfde liefde hebben gekend? Wat denken jullie: kun je als jonge ouder ooit echt opnieuw beginnen?