Onder de Hollandse Wolken: Mijn Vlucht uit het Alledaagse

‘Ik kan dit niet meer, Mark. Ik voel me leeg. Alsof ik elke dag een toneelstuk speel.’ Mijn stem trilde, mijn handen klemden zich om de rand van de keukentafel. Buiten sloeg de regen tegen het raam, dikke druppels die het grijze licht nog grauwer maakten. Mark keek me aan, zijn blauwe ogen vol ongeloof. ‘Wat bedoel je, Eva? Je kunt toch niet zomaar…’

Maar ik kon wel. Of misschien moest ik wel. Het was alsof ik al maanden, misschien jaren, op deze woorden had gekauwd. Ze waren bitter, maar nu ze uitgesproken waren, voelde ik een vreemde opluchting. Alsof ik eindelijk adem kon halen.

‘Ik ga weg,’ zei ik zacht. ‘Ik weet niet waarheen, maar ik moet weg van hier. Van dit leven.’

Mark stond op, zijn stoel schoot achteruit over de tegels. ‘En de kinderen dan? Denk je daar wel aan? Je kunt niet zomaar verdwijnen!’

Zijn stem sneed door me heen. Natuurlijk dacht ik aan Lisa en Bram. Hun kleine handen, hun slaperige gezichtjes in de ochtend. Maar ergens onderweg was ik mezelf kwijtgeraakt, opgeslokt door de dagelijkse sleur van werk, school, voetbaltrainingen en boodschappen doen bij de Albert Heijn.

Die avond pakte ik een tas. Ik nam alleen het hoognodige mee: een paar kleren, mijn dagboek, het kettinkje dat mijn moeder me ooit gaf. Lisa stond in de deuropening van haar kamer. ‘Mama, waar ga je heen?’ Haar stemmetje brak iets in mij.

‘Ik moet even weg, liefje. Maar ik kom terug, dat beloof ik.’

Ze knikte niet-begrijpend. Bram sliep gelukkig al. Ik drukte een kus op hun voorhoofden en liep de trap af, elke trede zwaarder dan de vorige.

Buiten rook het naar nat asfalt en herfstbladeren. Ik liep zonder om te kijken naar mijn auto en reed weg uit het dorp waar ik mijn hele leven had gewoond. De straatlantaarns trokken strepen van licht over het natte wegdek.

De eerste nacht sliep ik in een goedkoop hotel in Utrecht. De kamer rook muf en het bed kraakte bij elke beweging. Ik lag uren wakker, luisterend naar het verkeer buiten. Schuldgevoel vrat aan me, als een muis die aan een korst brood knaagt.

De volgende ochtend belde mijn moeder. ‘Eva, wat is er gebeurd? Mark heeft me gebeld. Je kunt toch niet zomaar alles achterlaten?’ Haar stem was bezorgd, maar ook verwijtend.

‘Mam, ik kan niet meer. Ik moet mezelf terugvinden.’

‘En je kinderen dan? Je gezin?’

Ik zweeg. Hoe leg je uit dat je soms moet breken om weer heel te worden?

De dagen erna dwaalde ik door Utrecht. Ik zat urenlang in koffietentjes, keek naar mensen die hun leven leken te leven zonder te twijfelen. Ik schreef bladzijden vol in mijn dagboek: over mijn jeugd in Amersfoort, over hoe ik Mark ontmoette op een feestje van vrienden, over de eerste jaren samen die zo licht en zorgeloos voelden.

Maar ergens onderweg was het licht gedoofd. Misschien door de druk van het moederschap, misschien door verwachtingen die nooit uitgesproken werden maar altijd voelbaar waren.

Na een week vond ik een kamer bij een hospita in een oud herenhuis aan de Oudegracht. Mevrouw Van Dijk was weduwe en praatte graag over haar katten en haar overleden man. Ze liet me begaan zolang ik maar netjes betaalde en af en toe met haar thee dronk.

Mark stuurde berichten: ‘Kom alsjeblieft terug.’ ‘De kinderen missen je.’ ‘Wat moet ik zeggen tegen iedereen?’

Ik las ze allemaal, maar antwoordde niet meteen. Ik voelde me schuldig, laf zelfs. Maar ook vrijer dan ooit.

Op een avond zat ik met mevrouw Van Dijk aan tafel toen mijn telefoon ging. Lisa’s naam verscheen op het scherm.

‘Mama? Wanneer kom je thuis?’ Haar stem klonk klein.

‘Ik weet het nog niet, lieverd. Maar ik hou van je.’

‘Papa huilt soms,’ fluisterde ze.

Mijn hart brak opnieuw.

De weken werden maanden. Ik vond werk als administratief medewerker bij een klein bedrijfje aan de rand van de stad. Het was geen droombaan, maar het gaf structuur aan mijn dagen.

Langzaam begon ik mezelf terug te vinden in kleine dingen: een wandeling langs de grachten bij zonsopgang, een gesprek met een collega over haar eigen scheiding, het gevoel dat niemand hier iets van mij verwachtte behalve mezelf.

Toch bleef het schuldgevoel knagen. Op zondagmiddag zat ik vaak alleen op mijn kamer en dacht aan thuis: aan Mark die waarschijnlijk worstelde met zijn boosheid en verdriet; aan Lisa en Bram die hun moeder misten; aan mijn ouders die zich schaamden voor wat hun dochter had gedaan.

Op een dag stond Mark ineens voor de deur van het herenhuis.

‘Eva, we moeten praten.’

We liepen samen langs de gracht, zwijgend eerst.

‘Waarom?’ vroeg hij uiteindelijk zacht.

‘Omdat ik mezelf kwijt was,’ antwoordde ik eerlijk. ‘Omdat ik bang was dat als ik bleef, ik zou verdwijnen.’

Hij knikte langzaam. ‘En nu?’

‘Nu probeer ik te ontdekken wie ik ben zonder alles wat anderen van mij verwachten.’

Mark veegde met zijn hand door zijn haar. ‘Ik snap het niet helemaal, maar… misschien moet ik dat ook niet proberen.’

We namen afscheid met een omhelzing die meer zei dan woorden ooit konden.

Langzaam begon mijn familie te accepteren dat dit mijn keuze was, al bleef er altijd iets onuitgesproken tussen ons hangen tijdens verjaardagen en feestdagen.

De kinderen kwamen af en toe logeren in Utrecht. We maakten er onze eigen tradities van: pannenkoeken eten bij De Oude Muntkelder, varen over de grachten met een gehuurde kano, samen naar de markt op zaterdag.

Toch bleef er altijd die vraag: had ik het recht om alles achter te laten? Was vrijheid belangrijker dan verantwoordelijkheid?

Soms kijk ik uit het raam naar de Hollandse wolken die traag voorbijdrijven en vraag ik me af: kun je ooit echt ontsnappen aan wie je bent? Of draag je jezelf altijd met je mee, waar je ook gaat?