Onder de schaduw van de molen: het verborgen leven van Marieke van Dijk
‘Waarom kun je nooit gewoon luisteren, Marieke?’ De stem van mijn moeder sneed door de stilte als een bot mes. Ik stond in de keuken, mijn handen trillend boven het aanrecht, terwijl de geur van gebakken uien zich mengde met de spanning in huis. Buiten sloeg de regen tegen het raam, alsof zelfs het weer zich met onze ruzie bemoeide.
‘Ik luister wél, mam,’ fluisterde ik, maar mijn stem verdronk in haar woede. ‘Je hoort alleen wat je wilt horen,’ beet ze me toe. Haar ogen, altijd zo koel en berekenend, boorden zich in de mijne. ‘Je vader zou zich omdraaien in zijn graf als hij dit zag.’
Het was altijd hetzelfde liedje sinds papa drie jaar geleden plotseling overleed aan een hartaanval. Sindsdien was ons huis – ooit gevuld met zijn gelach en verhalen – veranderd in een plek waar elk woord zorgvuldig gewogen moest worden. Mijn moeder, Anja, had haar verdriet omgezet in controle. Alles moest perfect zijn: het huis, de tuin, zelfs mijn toekomst.
Ik was negentien en voelde me opgesloten in het dorpje waar iedereen elkaar kende en roddels sneller gingen dan de wind door de polder. Mijn broer, Sander, was twee jaar ouder en had het huis al verlaten. Hij studeerde in Utrecht en kwam alleen nog met Kerstmis thuis. Ik bleef achter met mijn moeder en haar verwachtingen.
Die avond was het erger dan anders. Ik had een brief gekregen van de kunstacademie in Amsterdam: ik was toegelaten. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik het las, maar ik wist meteen dat dit nieuws thuis niet goed zou vallen.
‘Amsterdam?’ Mijn moeder’s stem sloeg over van ongeloof naar woede. ‘Wat moet jij daar nou? Kunst? Daar kun je toch geen droog brood mee verdienen!’
‘Mam, dit is wat ik wil. Ik wil schilderen, tekenen…’
Ze lachte schamper. ‘Je vader wilde dat je rechten ging studeren. Iets nuttigs. Niet zo’n onzin.’
Ik voelde tranen branden achter mijn ogen, maar ik slikte ze weg. ‘Misschien wil ik niet altijd doen wat jullie willen.’
Ze draaide zich om en sloeg met haar hand op tafel. ‘Zolang je onder mijn dak woont, doe je wat ík zeg!’
Die nacht lag ik wakker, luisterend naar het getik van de regen op het dak. Mijn kamer voelde als een gevangenis. Ik dacht aan papa – hoe hij altijd zei dat ik moest doen wat me gelukkig maakte. Maar hij was er niet meer om me te beschermen tegen mama’s harde woorden.
De volgende ochtend vond ik haar huilend aan de keukentafel. Haar handen omklemden een oude foto van ons gezin bij de molen aan de rand van het dorp. Ze keek op toen ik binnenkwam.
‘Ik wil je niet kwijt, Marieke,’ snikte ze. ‘Je broer is al weg… Jij bent alles wat ik nog heb.’
Voor het eerst zag ik haar kwetsbaarheid, haar angst om alleen te zijn. Maar ik wist ook dat ik moest kiezen: voor haar of voor mezelf.
‘Mam,’ zei ik zacht, ‘ik hou van je. Maar ik moet dit doen.’
Ze keek me aan, haar ogen rood van het huilen. ‘Beloof me dat je terugkomt.’
Ik knikte, maar diep vanbinnen wist ik dat niets ooit meer hetzelfde zou zijn.
De weken daarna waren een waas van afscheid nemen, spullen inpakken en zenuwen voor wat komen ging. Sander belde me op de avond voor mijn vertrek.
‘Je doet het goed, zusje,’ zei hij. ‘Laat je niet tegenhouden door mam of door het dorp.’
‘Ben je nooit bang geweest?’ vroeg ik.
Hij lachte zachtjes. ‘Altijd. Maar soms moet je springen.’
Amsterdam was overweldigend: trams die langsraasden, mensen die elkaar niet aankeken op straat, de geur van koffie en natte stoeptegels. Op de academie voelde ik me eindelijk thuis tussen mensen die net zo dromerig waren als ik.
Maar elke avond als ik mijn kleine kamer binnenstapte, voelde ik het gemis als een steen op mijn borst. Ik miste mama’s gehaktballen, het uitzicht op de molen, zelfs de roddels bij de bakker.
Na drie maanden kreeg ik een telefoontje van Sander. ‘Mam is opgenomen in het ziekenhuis,’ zei hij zonder omwegen. ‘Ze is ingestort.’
Ik liet alles vallen en sprong op de trein naar huis. In het ziekenhuis lag ze bleek en broos onder witte lakens.
‘Waarom ben je weggegaan?’ fluisterde ze toen ze wakker werd.
‘Omdat ik moest leren wie ik zelf ben,’ antwoordde ik met trillende stem.
Ze draaide haar hoofd weg en staarde uit het raam naar de grijze lucht boven Rotterdam.
De weken daarna pendelde ik tussen Amsterdam en het ziekenhuisbed van mijn moeder. Langzaam groeide er iets nieuws tussen ons: begrip, misschien zelfs acceptatie.
Op een dag zat ze rechtop in bed en pakte mijn hand vast.
‘Je vader zou trots op je zijn geweest,’ zei ze zacht.
Ik huilde – eindelijk – zonder schaamte.
Nu, jaren later, schilder ik nog steeds in Amsterdam. Mijn moeder woont in een klein appartement vlakbij het Vondelpark en we zien elkaar elke week. Soms praten we over vroeger; soms zwijgen we samen.
Hebben we elkaar echt gevonden? Of zijn sommige wonden te diep om ooit helemaal te helen? Wat denken jullie: kun je ooit helemaal loskomen van waar je vandaan komt?