Onder de Schaduw van de Oude Eik

‘Waarom ben je zo laat, Marjolein?’ De stem van mijn man, Sander, sneed door de stilte van onze woonkamer als een mes. Ik stond nog in de hal, mijn jas half uitgetrokken, de geur van regen nog op mijn huid. Mijn dochter Lotte keek op van haar telefoon, haar ogen groot en donker.

‘De trein had vertraging,’ mompelde ik, terwijl ik mijn tas op de grond liet vallen. Mijn stem trilde, maar ik probeerde het te verbergen. Sander stond op uit zijn stoel, zijn gezicht gespannen. ‘Altijd hetzelfde verhaal. Je weet dat we vanavond met mijn moeder zouden eten.’

Ik voelde hoe mijn hart zich samenkneep. ‘Ik weet het. Het spijt me.’

Lotte zuchtte overdreven hard en liep de kamer uit. De deur sloeg dicht. Sander keek me aan met die blik die ik zo goed kende: teleurstelling, vermoeidheid, misschien zelfs minachting. Ik vroeg me af wanneer we elkaar voor het laatst echt hadden aangekeken zonder verwijten.

De regen tikte tegen het raam terwijl ik naar de keuken liep. Mijn handen trilden toen ik een kop thee zette. De geur van kamille bracht me terug naar vroeger, naar avonden bij mijn moeder thuis in Utrecht, waar alles eenvoudiger leek. Maar nu voelde het alsof ik in een toneelstuk speelde waarvan ik het script niet kende.

‘Je moeder kan best even wachten,’ zei ik zachtjes, meer tegen mezelf dan tegen Sander.

‘Ze is al oud, Marjolein. Ze verdient respect.’

Ik draaide me om en keek hem aan. ‘En ik dan? Verdien ik geen respect?’

Hij zweeg. Het was niet de eerste keer dat we deze woordenwisseling hadden. Sinds Sander zijn baan was kwijtgeraakt bij het notariskantoor in Amersfoort, was hij veranderd. Gesloten, kortaf, soms zelfs hard. Ik werkte nu fulltime als verpleegkundige in het ziekenhuis en probeerde alles draaiende te houden.

Die avond aan tafel zat zijn moeder, mevrouw Van Dijk, rechtop als een koningin. Ze keek me aan met haar scherpe blauwe ogen. ‘Je ziet er moe uit, Marjolein.’

‘Het was een lange dag,’ zei ik.

Ze knikte langzaam. ‘Vrouwen moeten sterk zijn in deze tijd. Maar vergeet niet: een gezin heeft aandacht nodig.’

Ik voelde hoe mijn wangen rood werden. Lotte prikte zwijgend in haar aardappels.

Na het eten ruimde ik op terwijl Sander en zijn moeder in de woonkamer praatten over vroeger. Hun stemmen klonken als een verre echo. Ik hoorde Lotte zachtjes huilen op haar kamer. Mijn hart brak in duizend stukjes.

Later die avond zat ik alleen op het balkon, onder de oude eik die onze tuin overschaduwde. De wind fluisterde door de bladeren. Ik dacht aan hoe het ooit was: Sander en ik verliefd in het Vondelpark, Lotte als baby in mijn armen, haar eerste stapjes op het gras.

Plotseling hoorde ik voetstappen achter me. Lotte kwam naast me zitten, haar gezicht nat van de tranen.

‘Mama… ga je bij papa weg?’

Mijn adem stokte. ‘Waarom vraag je dat?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Jullie maken altijd ruzie. Ik hoor je soms huilen als je denkt dat niemand het merkt.’

Ik sloeg mijn arm om haar heen en trok haar dicht tegen me aan. ‘Ik weet het niet, lieverd. Soms weet ik echt niet meer wat goed is.’

Ze snikte zachtjes en legde haar hoofd op mijn schouder.

Die nacht lag ik wakker naast Sander, die diep ademhaalde in zijn slaap. Ik dacht aan alles wat we hadden opgebouwd – en alles wat we misschien zouden verliezen.

De dagen daarna werden de spanningen alleen maar erger. Sander solliciteerde tevergeefs; zijn frustratie groeide met elke afwijzing. Lotte werd stiller, haar cijfers op school kelderden. Ik voelde me verscheurd tussen mijn werk, mijn gezin en mezelf.

Op een avond kwam ik thuis en vond ik Sander met een fles wijn aan tafel, zijn hoofd in zijn handen.

‘Ik kan dit niet meer,’ fluisterde hij zonder op te kijken.

Ik ging tegenover hem zitten. ‘Wat kun je niet meer?’

Hij keek op, zijn ogen rood van het huilen. ‘Dit leven… het gevoel dat ik faal als man, als vader… als echtgenoot.’

Mijn hart brak opnieuw, maar dit keer was er ook woede. ‘Denk je dat ik het makkelijk heb? Dat ik niet elke dag vecht om ons bij elkaar te houden?’

Hij sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Jij hebt tenminste nog een baan! Jij bent nodig!’

‘En jij bent dat niet?’ riep ik uit.

Het bleef even stil.

‘Misschien… misschien moeten we even afstand nemen,’ zei hij uiteindelijk zachtjes.

De weken daarna leefden we langs elkaar heen als vreemden in hetzelfde huis. Lotte trok steeds meer naar mij toe; Sander zocht troost bij zijn moeder.

Op een dag kwam Lotte thuis met een blauw oog. Mijn hart sloeg over toen ze zei dat ze gepest werd op school omdat haar ouders altijd ruzie hadden.

Die avond besloot ik dat het zo niet langer kon.

Ik riep Sander en Lotte bij elkaar in de woonkamer.

‘We moeten praten,’ begon ik met trillende stem.

Sander keek weg; Lotte staarde naar haar handen.

‘We kunnen zo niet doorgaan,’ zei ik. ‘We maken elkaar kapot.’

Er viel een lange stilte.

‘Wat wil je dan?’ vroeg Sander uiteindelijk.

‘Therapie,’ zei ik vastberaden. ‘Voor ons allemaal.’

Hij lachte schamper, maar toen hij zag hoe serieus ik was, knikte hij langzaam.

De maanden die volgden waren zwaar – gesprekken vol tranen en verwijten, maar ook momenten van begrip en hoop. Langzaam vonden we elkaar terug; niet zoals vroeger, maar anders – eerlijker misschien.

Op een dag zat ik weer onder de oude eik met Lotte naast me.

‘Denk je dat alles weer goed wordt?’ vroeg ze zachtjes.

Ik keek naar de lucht tussen de bladeren en voelde voor het eerst in lange tijd rust.

‘Misschien wordt het nooit meer zoals vroeger,’ zei ik. ‘Maar misschien wordt het wel beter dan we ooit hadden durven dromen.’

Soms vraag ik me af: hoeveel kan een mens dragen voordat hij breekt? En hoeveel kracht zit er in eerlijkheid – zelfs als die pijn doet? Wat denken jullie: is liefde genoeg om alles te overwinnen?