Onder het dak van stilte: Het verhaal van Marijke van Dijk

‘Waarom kom je nooit meer, Anneke?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer haar blik te vangen. Ze kijkt niet op van haar telefoon. ‘Mam, ik heb het druk. Je weet toch dat de kinderen hockey hebben en dat ik overwerk? Je moet niet zo zeuren.’

Ik slik. De geur van gekookte spruitjes en goedkope schoonmaakmiddelen hangt zwaar in de lucht. Mijn kamer is klein, het uitzicht beperkt tot een parkeerplaats waar soms een merel scharrelt tussen de fietsen. Vroeger had ik een tuin vol bloemen, een huis vol stemmen. Nu hoor ik alleen het zachte gezoem van de lift en het gekreun van mijn buurvrouw, mevrouw Jansen, die haar man elke nacht roept alsof hij nog leeft.

‘Weet je nog, Anneke, hoe je vroeger altijd bij me in bed kroop als je bang was voor onweer?’ probeer ik. Ze zucht diep. ‘Mam, ik moet echt gaan. Ik kom volgende week wel weer.’

De deur valt dicht. Ik blijf achter met het gevoel dat ik haar kwijt ben. Niet alleen haar tijd, maar haar hart. Hoe ben ik hier beland? Was het die val in de keuken, toen ik mijn heup brak? Of was het al eerder, toen mijn man Kees overleed en het huis te stil werd?

De dagen rijgen zich aaneen als grijze kralen aan een ketting. Soms komt mijn zoon Pieter langs, altijd gehaast, met zijn laptop onder de arm. ‘Mam, alles goed? Ja? Mooi zo. Ik moet weer door.’ Hij drukt een kus op mijn voorhoofd zonder echt te kijken.

’s Nachts lig ik wakker en luister naar het zachte snikken van mevrouw Jansen. Soms hoor ik haar fluisteren: ‘Jan, waar ben je nou?’ Dan voel ik tranen prikken achter mijn ogen. Ik mis Kees zo verschrikkelijk. Zijn grapjes aan tafel, zijn warme hand op mijn rug als ik niet kon slapen.

Op een ochtend schuift zuster Sanne mijn gordijnen open. ‘Goedemorgen Marijke! Tijd voor een frisse dag.’ Haar stem is opgewekt, maar haar ogen zijn moe. Ze wast me voorzichtig, praat over haar kinderen en haar hond. Ik knik en glimlach, maar voel me leeg.

Tijdens het ontbijt schuif ik aan bij mevrouw Jansen en meneer De Groot. Hij moppert altijd over het eten. ‘Vroeger at ik elke zondag biefstuk met gebakken aardappelen,’ bromt hij. ‘Nu krijg je hier alleen maar pap.’

‘Weet je nog hoe we vroeger met de hele buurt buiten zaten?’ zegt mevrouw Jansen zachtjes tegen mij. ‘Iedereen kende elkaar. Nu…’ Ze haalt haar schouders op.

Ik knik. Mijn gedachten dwalen af naar zomers in de Jordaan, waar we met z’n allen op straat zaten, koffie dronken en liedjes zongen. Waar is die tijd gebleven?

Op woensdag komt Anneke toch onverwacht langs. Ze heeft haar dochtertje Sophie bij zich. Sophie rent meteen naar mijn kastje en pakt de doos met foto’s.

‘Oma, wie is dit?’ vraagt ze, wijzend naar een vergeelde foto van mij en Kees op onze trouwdag.

‘Dat zijn opa en oma toen ze jong waren,’ zeg ik zacht.

Anneke kijkt even op, haar blik zachter dan anders. ‘Je was mooi, mam.’

‘Was?’ vraag ik met een wrange glimlach.

Ze lacht ongemakkelijk. ‘Je bent nog steeds mooi.’

Even is er iets tussen ons wat lijkt op vroeger: warmte, verbondenheid. Maar dan gaat haar telefoon weer.

‘Sorry mam, werk roept.’

Als ze weg is, blijft Sophie bij me zitten. Ze kijkt naar de foto’s en stelt vragen over vroeger – over hoe het was om zonder internet te leven, over de oorlog, over opa’s grappen.

‘Ben je gelukkig hier, oma?’ vraagt ze opeens.

Ik slik. Wat moet ik zeggen? Dat ik me opgesloten voel? Dat elke dag hetzelfde is? Dat ik verlang naar iets wat niet meer terugkomt?

‘Soms wel,’ lieg ik zachtjes.

’s Avonds lig ik in bed en denk aan Anneke. Aan hoe we vroeger samen koekjes bakten, hoe ze als puber tegen me schreeuwde dat ze me haatte – en hoe ze daarna huilend in mijn armen viel omdat haar hart gebroken was door haar eerste liefde.

Waar is die nabijheid gebleven? Wanneer zijn we vreemden geworden?

De volgende dag komt er ruzie op de gang. Mevrouw Jansen schreeuwt tegen haar zoon: ‘Jij laat me hier verrotten! Je komt alleen als je iets nodig hebt!’

Hij schudt zijn hoofd: ‘Mam, je weet dat ik werk heb! Ik doe m’n best!’

Ik kijk weg, maar voel hun pijn als de mijne.

’s Middags komt er een nieuwe bewoner: meneer Van Leeuwen uit Haarlem. Hij heeft een grote snor en praat luid over zijn tijd als buschauffeur.

‘Ze hebben me hier gestopt omdat m’n dochter bang was dat ik zou vallen,’ zegt hij tegen mij tijdens het eten. ‘Maar thuis voelde ik me vrij.’

Ik knik begrijpend. ‘Vrijheid is hier soms ver te zoeken.’

Hij lacht bitter. ‘Ze bedoelen het goed, maar ze snappen het niet.’

’s Nachts droom ik van mijn oude huis: de geur van versgebakken brood, het geluid van Kees die fluitend de krant leest, Anneke die op haar kamer muziek draait.

Ik word wakker met tranen op mijn kussen.

Op zondag komt Pieter weer langs. Hij brengt bloemen mee – tulpen uit de supermarkt.

‘Mam, je moet niet zo somber zijn,’ zegt hij terwijl hij de vaas vult.

‘Het is hier gewoon… stil,’ zeg ik voorzichtig.

Hij kijkt weg. ‘We doen dit voor jouw veiligheid.’

‘Maar wie zorgt er voor mijn hart?’ fluister ik bijna onhoorbaar.

Hij hoort het niet – of wil het niet horen.

’s Avonds zit ik bij het raam en kijk naar buiten. Een jonge vrouw fietst voorbij met een kind achterop. Ze lachen samen om iets wat ik niet kan horen.

Ik vraag me af of Anneke ooit begrijpt hoe het voelt om vergeten te worden door je eigen kinderen – of dat Pieter ooit beseft hoeveel stilte pijn kan doen.

Misschien ben ik te veeleisend geweest als moeder. Misschien heb ik te veel gegeven en te weinig gevraagd.

Of misschien is dit gewoon ouder worden in Nederland anno nu: verzorgd worden door vreemden, terwijl je familie steeds verder wegdrijft.

Wat denk jij? Is dit onvermijdelijk – of kunnen we elkaar nog terugvinden voordat het te laat is?