Onder het Gewicht van Geheimen: Het Verhaal van Marieke van der Veen

‘Je liegt, mam! Je liegt gewoon!’ Mijn stem trilde, terwijl ik de oude foto in mijn hand kneep. De regen tikte onophoudelijk tegen het raam van onze rijtjeswoning in Amersfoort. Mijn moeder, Ans, keek me aan met diezelfde doffe blik die ze altijd had als ze niet wilde praten. ‘Marieke, laat het nou rusten. Sommige dingen zijn beter als je ze niet weet.’

Maar ik kon het niet loslaten. Sinds ik die doos met vergeelde brieven op zolder had gevonden, voelde alles anders. Mijn vader, Willem, was altijd streng geweest, maar rechtvaardig – dacht ik. Nu las ik zijn woorden aan een vrouw die niet mijn moeder was. En tussen de brieven zat een geboortekaartje. Mijn geboortekaartje, maar met een andere achternaam.

‘Wie is Eva Jansen?’ vroeg ik, mijn stem schor van het huilen. Mijn moeder sloeg haar ogen neer. ‘Dat doet er niet toe. Jij bent mijn dochter, dat is wat telt.’

‘Maar waarom staat haar naam op mijn geboortekaartje? Waarom heb ik nooit familie van jouw kant ontmoet? Waarom lijkt papa altijd zo… boos als het over vroeger gaat?’

Ze zweeg. Buiten raasde een trein voorbij, het geluid galmde door het huis. Ik voelde me alsof ik op het perron stond, klaar om op te stappen naar een onbekende bestemming.

Die nacht kon ik niet slapen. De woorden uit de brieven spookten door mijn hoofd: “Ze mag nooit weten wie haar echte moeder is.” “Het moet verdwijnen, Willem.” “Voor haar eigen bestwil.”

De volgende ochtend zat mijn vader al aan de keukentafel, zijn handen om een kop koffie geklemd. ‘Je moeder zegt dat je vragen hebt,’ zei hij zonder op te kijken.

‘Waarom heb je tegen me gelogen?’ vroeg ik zacht.

Hij keek op, zijn ogen waterig en moe. ‘Soms… soms moet je dingen doen om mensen te beschermen.’

‘Maar wie beschermde je dan? Mij? Of jezelf?’

Hij zuchtte diep. ‘Eva was jong, ze kon niet voor je zorgen. Je moeder en ik… we wilden altijd al een kind, maar het lukte niet. Toen kwam jij.’

‘Dus ik ben geadopteerd?’

‘Niet officieel. Eva was familie van Ans. Ze… ze wilde dat jij een beter leven kreeg.’

Ik voelde de grond onder mijn voeten wegzakken. Alles wat ik dacht te weten over mezelf, over ons gezin, bleek gebouwd op leugens.

De weken daarna liep ik rond als een schim. Op school merkte niemand iets – ik was altijd al stil geweest – maar binnenin woedde een storm. Mijn beste vriendin, Sanne, probeerde me op te vrolijken.

‘Je bent nog steeds Marieke,’ zei ze terwijl we langs de Eem liepen. ‘Maakt het echt uit wie je biologische moeder is?’

‘Voor jou misschien niet,’ snauwde ik terug. ‘Jij hebt tenminste geen geheimen thuis.’

Ze zweeg, gekwetst, en ik voelde me meteen schuldig.

Thuis werd de sfeer steeds grimmiger. Mijn vader trok zich terug in zijn werkplaats in de schuur; mijn moeder deed alsof alles normaal was. Maar elke keer als ik haar aankeek, zag ik de angst in haar ogen.

Op een avond hoorde ik hen fluisteren in de keuken.

‘Ze moet het vergeten, Ans,’ zei mijn vader fel.

‘Ze is geen kind meer, Willem! Ze heeft recht op de waarheid.’

‘En als ze Eva opzoekt? Wat dan? Alles voor niets geweest!’

Ik sloop terug naar mijn kamer, mijn hart bonzend in mijn borstkas.

De volgende dag besloot ik Eva te zoeken. In de brieven stond een adres in Utrecht. Ik nam de trein – zonder iemand iets te zeggen – en stond even later voor een oud portiekflatje.

Een vrouw met dezelfde blauwe ogen als ik deed open.

‘Jij bent…’ begon ze.

‘Marieke,’ zei ik zacht.

Ze liet me binnen zonder iets te zeggen. Het huis rook naar koffie en oude boeken. We zaten zwijgend tegenover elkaar aan tafel.

‘Waarom heb je me weggegeven?’ vroeg ik uiteindelijk.

Haar handen trilden toen ze haar kopje neerzette. ‘Ik was achttien, Marieke. Mijn ouders wilden niets van je weten. Ans en Willem boden aan voor je te zorgen… Ze beloofden dat je gelukkig zou worden.’

‘En jij? Was jij gelukkig?’

Ze glimlachte droevig. ‘Ik heb altijd aan je gedacht.’

We praatten urenlang. Over haar leven, over mij, over alles wat nooit was uitgesproken. Toen ik terug naar huis ging, voelde ik me lichter – maar ook zwaarder dan ooit.

Thuis wachtte mijn moeder me op in de gang.

‘Je bent bij haar geweest,’ zei ze zonder verwijt.

Ik knikte.

Ze sloeg haar armen om me heen en huilde zachtjes in mijn haar.

‘Het spijt me zo,’ fluisterde ze. ‘We dachten dat we het juiste deden.’

Mijn vader kwam erbij staan, zijn gezicht bleek en gespannen.

‘We hebben gefaald,’ zei hij schor.

‘Nee,’ zei ik langzaam. ‘Jullie hebben geprobeerd mij te beschermen. Maar nu wil ik zelf kiezen wie ik ben.’

De maanden daarna waren zwaar. We moesten opnieuw leren praten – eerlijk deze keer. Ik bleef contact houden met Eva; soms kwam ze langs voor koffie of een wandeling door het park.

Langzaam groeide er iets nieuws tussen ons allemaal: begrip misschien, of vergeving.

Toch vraag ik me nog vaak af: hoeveel van wie we zijn wordt bepaald door onze afkomst? En hoeveel door de mensen die van ons houden?

Wat zou jij doen als je hele leven ineens op losse schroeven stond?