Onder het IJs van de Amstel: Een Nacht die Alles Veranderde

“Papa, mama wordt niet wakker…”

De stem van mijn dochtertje, Lotte, trilde door de telefoon. Ik stond midden op het Rokin, het was laat, de tram reed net langs en de regen sloeg tegen mijn gezicht. Mijn hart sloeg over. “Wat bedoel je, Lotte? Waar ben je nu?”

“Ik ben thuis… mama ligt op de bank en ze doet haar ogen niet open.”

Ik voelde hoe mijn benen slap werden. Mijn vrouw, Anouk, was altijd zo sterk geweest. We hadden ruzie gehad die ochtend. Ik had haar verweten dat ze te veel dronk, dat ze zich te weinig met Lotte bemoeide. Ze had alleen maar gezwegen, haar blik op het raam gericht. Nu stond ik daar, midden in Amsterdam, en alles leek ineens onbelangrijk.

Ik rende naar huis. De regen leek harder te vallen, of misschien waren het mijn tranen die ik voelde. Toen ik binnenkwam, zat Lotte met haar knuffel naast de bank. Anouk lag er stil bij, haar gezicht bleek, haar borstkas bewoog niet. Ik schreeuwde haar naam, schudde haar, maar ze reageerde niet.

“Lotte, ga naar je kamer,” zei ik met een stem die ik nauwelijks herkende. Ik belde 112, mijn handen trilden zo erg dat ik bijna het nummer niet kon intoetsen.

De ambulance kwam snel, maar alles voelde als een eeuwigheid. De broeders deden hun werk in stilte. Lotte keek vanuit de deuropening toe, haar ogen groot en nat.

“Het spijt me meneer,” zei één van hen zacht. “Ze is overleden.”

Het was alsof iemand het licht uitdeed in mijn hoofd. Alles werd zwart.

De dagen daarna waren een waas. Mijn schoonmoeder, Truus, kwam meteen uit Haarlem. Ze keek me aan met die blik die alles zei: ‘Dit is jouw schuld.’

“Je had beter op haar moeten letten,” siste ze op een avond terwijl Lotte sliep. “Ze was ongelukkig met jou.”

Ik wilde schreeuwen dat het niet eerlijk was, dat Anouk zelf ook keuzes had gemaakt. Maar ik zweeg. Misschien had Truus gelijk.

Mijn broer Bas kwam langs met zijn vrouw Ilse. Ze probeerden te helpen, maar hun aanwezigheid voelde als een oordeel.

“Je moet sterk zijn voor Lotte,” zei Bas. “Maar je moet ook eerlijk zijn over wat er is gebeurd.”

Wat was er gebeurd? Was het haar hart? Was het de drank? Was het onze ruzie?

De begrafenis was klein en sober. Lotte hield mijn hand vast en vroeg zachtjes: “Papa, komt mama nog terug?”

Ik kon alleen maar huilen.

Na de begrafenis begon het echte gevecht pas. Truus vond dat Lotte beter bij haar kon wonen.

“Je werkt te veel, Maarten,” zei ze fel tijdens een gesprek met Jeugdzorg. “Lotte heeft stabiliteit nodig.”

Ik vocht als een leeuw voor mijn dochter. Maar elke avond als ik thuiskwam in het lege huis, voelde ik me schuldig. Had ik Anouk kunnen redden als ik eerder thuis was geweest? Had ik haar meer moeten steunen?

Lotte werd stiller. Ze tekende alleen nog maar donkere wolken en huilende poppetjes.

Op een avond vond ik haar op het balkon, starend naar de Amstel beneden.

“Papa,” fluisterde ze, “ik mis mama zo.”

Ik knielde naast haar neer en trok haar tegen me aan.

“Weet je,” zei ik zacht, “ik mis haar ook. Maar we hebben elkaar nog.”

Toch voelde het alsof ik faalde als vader. Op school kreeg Lotte problemen; ze werd stil en trok zich terug. De juf belde me op een dag.

“Maarten, misschien moet je hulp zoeken voor Lotte… en voor jezelf.”

Ik wilde niet toegeven dat ik hulp nodig had. In Nederland moet je sterk zijn, je problemen oplossen zonder te klagen. Maar op een avond zat ik alleen aan tafel met een fles wijn – net als Anouk vroeger – en besefte ik dat ik precies hetzelfde deed als zij.

Ik meldde ons aan bij een rouwtherapeut. De eerste sessies waren zwaar; Lotte zei niets, ik huilde alleen maar.

Langzaam kwamen de verhalen los. Over Anouk, over onze ruzies, over de liefde die er ooit was geweest.

Op een dag vroeg Lotte: “Papa, ben jij boos op mama?”

Ik slikte en keek haar aan.

“Ik ben boos omdat ze weg is… maar ik hou nog steeds van haar.”

De maanden gingen voorbij. Truus bleef proberen Lotte bij zich te krijgen, maar Jeugdzorg besloot dat ze bij mij mocht blijven zolang ik hulp bleef zoeken.

Op een dag stond Bas voor de deur met een envelop.

“Dit vond ik tussen Anouks spullen,” zei hij zacht.

Het was een brief van Anouk aan mij, nooit verstuurd:

‘Lieve Maarten,
Soms weet ik niet meer wie ik ben zonder jou en Lotte. Ik voel me verloren in deze stad vol mensen die altijd haast hebben. Vergeef me als ik niet altijd sterk ben.’

Ik las de brief keer op keer en huilde zoals ik nog nooit gehuild had.

Langzaam begon het leven weer vorm te krijgen. Ik leerde koken voor Lotte (al mislukte de stamppot vaak), we maakten samen wandelingen langs de Amstel en soms lachten we zelfs weer.

Toch blijft de vraag knagen: Had ik meer kunnen doen? Had ik Anouk kunnen redden?

Nu zit ik hier aan tafel terwijl Lotte slaapt en kijk naar haar tekening van ons drieën – hand in hand onder een blauwe lucht.

Is vergeving mogelijk als je jezelf niet kunt vergeven? Wat zouden jullie doen als je alles dreigt te verliezen wat je liefhebt?