Onder hetzelfde dak, zonder vrijheid: Mijn strijd voor mezelf

‘Waarom ben je zo laat, Marjolein?’ De stem van Pieter galmt door de gang, scherp als een mes. Mijn handen trillen als ik mijn jas ophang. ‘Het was druk op het werk,’ mompel ik, hopend dat hij niet hoort hoe mijn stem breekt. Maar natuurlijk hoort hij het. Hij hoort altijd alles. ‘Druk? Of was je weer koffie aan het drinken met die collega van je?’ Zijn ogen priemen in de mijne, donker en koud.

Ik slik. ‘Nee, Pieter. Ik moest overwerken, echt waar.’ Hij zucht, draait zich om en loopt naar de keuken. ‘Het eten is koud. Je weet dat ik niet van koud eten houd.’ Ik voel de schaamte branden op mijn wangen, maar ik zeg niets. Ik loop naar de keuken, warm het eten op en zet het voor hem neer. Hij eet zwijgend, terwijl ik tegenover hem zit en naar mijn handen staar. Mijn vingers zijn dun, de nagels kort en afgekloven. Ik weet niet meer wanneer ik voor het laatst gelachen heb.

Na het eten ruim ik op. Pieter kijkt televisie, zijn voeten op tafel. ‘Heb je je salaris al binnen?’ vraagt hij plotseling, zonder me aan te kijken. Mijn hart slaat over. ‘Ja, gisteren.’ Hij steekt zijn hand uit. ‘Je weet wat we hebben afgesproken.’ Ik knik, loop naar boven en pak mijn bankpas. Als ik hem aan hem geef, glimlacht hij. ‘Goed zo. Je weet dat ik het beste met je voor heb, hè?’

Ik knik weer, maar vanbinnen schreeuw ik. Ik wil roepen dat ik het niet meer kan, dat ik niet meer wil leven als een kind dat zakgeld krijgt. Maar ik zwijg. Zoals altijd.

’s Nachts lig ik wakker. Ik luister naar Pieter’s ademhaling naast me, zwaar en diep. Mijn gedachten razen. Hoe ben ik hier beland? Ik was ooit zo vrolijk, zo vol dromen. Ik wilde reizen, schilderen, mijn eigen geld uitgeven aan dingen die ik mooi vond. Maar nu? Nu ben ik een schim van mezelf. Alles wat ik verdien, geef ik aan hem. Alles wat ik doe, moet ik verantwoorden. Zelfs mijn vrienden zie ik nauwelijks meer. ‘Ze zijn een slechte invloed,’ zei Pieter altijd. ‘Ze begrijpen onze relatie niet.’

Op een dag, op het werk, vraagt mijn collega Anouk of ik zin heb om na het werk iets te drinken. Ik twijfel. Pieter vindt het niet goed als ik te laat thuis ben. Maar Anouk kijkt me zo vriendelijk aan, dat ik ja zeg. We zitten op het terras, de zon schijnt op mijn gezicht. Voor het eerst in maanden voel ik me licht. Anouk lacht, vertelt over haar kinderen, haar vakantieplannen. ‘En jij, Marjolein? Wat zou jij willen doen als je alles kon?’

De vraag overvalt me. Ik weet het niet meer. ‘Ik… ik zou misschien willen schilderen. Of reizen. Naar Italië, of zo.’ Anouk glimlacht. ‘Waarom doe je dat niet?’ Ik kijk naar mijn handen. ‘Het is ingewikkeld. Pieter…’ Ik stop. Ik wil niet klagen. Maar Anouk legt haar hand op de mijne. ‘Je verdient het om gelukkig te zijn, Marjolein. Echt waar.’

Die avond ben ik te laat thuis. Pieter staat in de gang, zijn gezicht rood van woede. ‘Waar was je?’ ‘Met Anouk. We hebben iets gedronken.’ Hij balt zijn vuisten. ‘Je weet dat ik dat niet wil. Je weet wat er gebeurt als je niet luistert.’

Ik voel de angst in mijn buik. Maar deze keer is er iets anders. Iets in mij weigert te buigen. ‘Ik ben volwassen, Pieter. Ik mag zelf beslissen wat ik doe.’ Hij lacht schamper. ‘Jij? Jij kunt helemaal niets zonder mij. Je hebt geen idee hoe de wereld werkt.’

De weken daarna wordt het erger. Pieter controleert mijn telefoon, vraagt waar ik ben, met wie ik praat. Hij belt me op het werk, soms wel tien keer per dag. Mijn collega’s kijken me bezorgd aan. ‘Gaat het wel goed?’ vraagt Anouk. Ik lach het weg, maar vanbinnen voel ik me steeds kleiner worden.

Op een avond, als Pieter slaapt, sluip ik naar beneden. Ik pak mijn oude schetsboek, verstopt achter de boeken in de kast. Ik sla het open en zie mijn tekeningen van vroeger. Landschappen, portretten, dromen op papier. Ik begin te huilen. Waar is dat meisje gebleven? Het meisje dat durfde te dromen?

De volgende dag besluit ik dat het zo niet langer kan. Ik bel mijn zus, Saskia. We hebben elkaar maanden niet gesproken. ‘Marjolein? Wat is er?’ Haar stem klinkt warm, bezorgd. Ik vertel haar alles. Over het geld, de controle, de angst. Ze huilt met me mee. ‘Kom alsjeblieft bij me. Je hoeft niet bij hem te blijven.’

Maar het is niet zo makkelijk. Pieter heeft alles in de hand. Mijn geld, mijn spullen, mijn leven. Ik ben bang. Bang voor wat hij zal doen als ik wegga. Maar ik ben nog banger om zo verder te leven.

Op een zaterdagochtend, als Pieter boodschappen doet, pak ik mijn tas. Ik stop mijn schetsboek erin, wat kleren, mijn paspoort. Mijn hart bonkt in mijn keel. Ik kijk nog één keer om me heen. Dit huis was ooit mijn thuis. Nu is het een gevangenis.

Ik bel Saskia. ‘Ik kom eraan.’ Ze huilt van opluchting. ‘Ik wacht op je, zusje.’

De rit naar haar huis is een waas. Mijn handen trillen aan het stuur. Ik kijk steeds in de achteruitkijkspiegel, bang dat Pieter me volgt. Maar ik kom veilig aan. Saskia omhelst me, stevig en warm. ‘Je bent veilig nu. Je hoeft niet meer bang te zijn.’

De eerste nachten slaap ik nauwelijks. Ik schrik wakker van elk geluid. Maar langzaam, heel langzaam, voel ik de angst wegebben. Ik begin weer te tekenen. Saskia moedigt me aan. ‘Je hebt talent, Marjolein. Je moet er iets mee doen.’

Ik zoek hulp. Praat met een maatschappelijk werker, met een psycholoog. Ze zeggen dat het tijd kost. Dat ik mezelf weer moet leren vertrouwen. Soms voel ik me schuldig. Had ik het anders moeten doen? Had ik Pieter moeten helpen? Maar dan denk ik aan Anouk, aan Saskia, aan mezelf. Ik heb recht op geluk. Op vrijheid.

Op een dag krijg ik een brief van Pieter. Hij wil me terug. Zegt dat hij veranderd is, dat hij me mist. Maar ik weet beter. Ik voel geen angst meer, alleen medelijden. Ik schrijf hem terug: ‘Ik kies voor mezelf. Voor mijn vrijheid.’

Langzaam bouw ik een nieuw leven op. Ik vind een baan bij een kleine galerie. Mijn tekeningen hangen aan de muur. Mensen kopen ze. Ik voel me trots, voor het eerst in jaren. Anouk komt langs, lacht en zegt: ‘Zie je wel? Je kunt het.’

Soms denk ik terug aan die donkere dagen. Aan de angst, de eenzaamheid. Maar ik weet nu dat ik sterker ben dan ik dacht. Dat ik het waard ben om lief te hebben – en om lief te hebben, allereerst mezelf.

Nu, als ik ’s avonds naar mijn tekeningen kijk, vraag ik me af: hoeveel vrouwen leven nog steeds onder hetzelfde dak, zonder vrijheid? En wat zou er gebeuren als ze, net als ik, de moed vinden om te kiezen voor zichzelf? Misschien is het tijd om dat gesprek te beginnen. Wat denken jullie?