Onder Vals Verdacht: Een Nacht Die Alles Veranderde
‘Meneer de Vries, u moet nu met ons meekomen.’
De stem van de agent galmde nog na in mijn hoofd terwijl ik, trillend op mijn benen, in de deuropening stond. Mijn moeder, Marijke, stond achter me, haar gezicht wit weggetrokken. ‘Wat is er aan de hand? Wat heeft mijn zoon gedaan?’ riep ze, haar stem overslaand van paniek.
Ik kon niets uitbrengen. Mijn gedachten tolden terug naar gisteravond. Het was laat, de regen tikte zachtjes tegen mijn jas toen ik uit de bus stapte in ons rustige straatje in Amersfoort. Mijn hoofd was vol van de stress op kantoor; mijn baas, meneer Van Loon, had me weer eens laten weten dat ik niet voldeed aan zijn verwachtingen. Ik wilde alleen maar naar huis, naar mijn kleine kamer boven bij mijn ouders, waar het veilig was.
Maar toen zag ik haar: een oude vrouw, kromgebogen, steunend tegen het hek van buurman Kees. Twee grote boodschappentassen lagen naast haar op de stoep. Haar gezicht was grauw en haar ademhaling zwaar.
‘Gaat het wel mevrouw?’ vroeg ik voorzichtig.
Ze keek op, haar ogen waterig en vol dankbaarheid. ‘Dankjewel jongen… Ik… ik ben een beetje duizelig. Zou je me kunnen helpen met die tassen? Mijn huis is net om de hoek.’
Zonder aarzelen pakte ik de tassen op. Ze waren verrassend zwaar. Samen liepen we langzaam door de regen naar haar huis aan het einde van de straat. Ze praatte zachtjes over haar overleden man en hoe moeilijk het was om alles alleen te doen. Toen we bij haar voordeur waren, bedankte ze me met een broze glimlach en verdween naar binnen.
Nu, minder dan twaalf uur later, stond ik tegenover drie agenten in felgele jassen. ‘U wordt verdacht van diefstal en mishandeling,’ zei de vrouwelijke agent met een harde blik. ‘Mevrouw Van Dijk heeft verklaard dat u haar heeft bedreigd en haar portemonnee heeft gestolen.’
‘Dat kan niet!’ riep ik uit. ‘Ik heb haar alleen geholpen! Vraag het haar!’
Mijn vader, Henk, kwam net de trap af en keek me vernietigend aan. ‘Wat heb je nu weer gedaan, Thomas? Altijd kom je in de problemen!’
‘Pap, geloof me nou! Ik heb niets gedaan!’
Maar hij schudde zijn hoofd. ‘Je hebt altijd al verkeerde vrienden gehad. En nu dit…’
De agenten namen me mee naar het bureau. In de auto voelde ik mijn keel dichtknijpen. Waarom zou mevrouw Van Dijk zoiets zeggen? Was ze in de war? Of was er iets anders aan de hand?
Op het bureau werd ik urenlang ondervraagd. Ze vroegen naar details: wat had ik precies gedaan, wat had ik gezegd? Ik vertelde steeds hetzelfde verhaal, maar hun blikken bleven kil.
‘We hebben camerabeelden gezien waarop u samen met mevrouw Van Dijk haar huis binnengaat,’ zei een jonge rechercheur. ‘Maar daarna is er geen beeld meer. Mevrouw zegt dat u haar hebt bedreigd met een mes.’
‘Dat is niet waar! Ik had niet eens een mes bij me!’
Ze keken elkaar aan, sceptisch.
Na uren mocht ik eindelijk naar huis. Mijn ouders zaten zwijgend aan tafel. Mijn moeder keek me aan met tranen in haar ogen. ‘Thomas… waarom gebeurt dit altijd bij jou?’
‘Mam, ik zweer het je…’
Ze schudde haar hoofd en liep weg.
De dagen daarna werd alles erger. Op straat keken buren me na. De bakker groette me niet meer. Op mijn werk werd ik op non-actief gezet — ‘totdat alles is uitgezocht’, zei meneer Van Loon zonder me aan te kijken.
’s Avonds hoorde ik mijn ouders fluisteren in de keuken.
‘Misschien moeten we hem eruit zetten,’ zei mijn vader zacht.
‘Hij is onze zoon!’ snikte mijn moeder.
‘Maar hij brengt alleen maar ellende.’
Ik lag wakker in bed, starend naar het plafond. Waarom geloofde niemand mij? Waarom zou mevrouw Van Dijk zoiets doen?
Op een dag besloot ik terug te gaan naar haar huis. Mijn handen trilden toen ik aanbelde. Ze deed open, haar gezicht strak en afstandelijk.
‘Mevrouw Van Dijk… waarom zegt u dat ik u heb bedreigd? Ik heb u alleen geholpen!’
Ze keek me aan, haar ogen koud. ‘Ga weg, Thomas. Je hebt genoeg problemen veroorzaakt.’
‘Maar… waarom?’
Ze sloot de deur zonder iets te zeggen.
Wanhopig liep ik terug naar huis. Onderweg kwam buurman Kees naast me fietsen.
‘Ik heb gezien dat je die vrouw hielp,’ zei hij plotseling. ‘Maar later zag ik iemand anders rond haar huis sluipen… Een jonge vent met een capuchon.’
Mijn hart sloeg over. ‘Weet u wie het was?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, maar misschien moet je dat tegen de politie zeggen.’
Met hernieuwde hoop ging ik terug naar het bureau en vertelde alles wat Kees had gezien. De rechercheur luisterde eindelijk aandachtig en beloofde het uit te zoeken.
Weken gingen voorbij. Mijn ouders spraken nauwelijks nog met me; mijn vader vermeed me volledig. Op een avond hoorde ik hem tegen mijn moeder zeggen: ‘Hij is niet meer wie hij was.’
Toen kwam het telefoontje: ze hadden camerabeelden gevonden van een onbekende jongen die kort na mij bij mevrouw Van Dijk naar binnen was gegaan — en weer vertrok met iets onder zijn jas.
De politie bood hun excuses aan. Mevrouw Van Dijk bleek inderdaad verward te zijn geweest door de schrik en had mij aangezien voor de dader.
Maar het kwaad was al geschied.
Mijn vader bleef afstandelijk; op mijn werk werd ik niet meer serieus genomen; vrienden bleven weg uit angst voor roddels.
Op een avond zat ik alleen op mijn kamer en keek uit het raam naar de lege straat.
Hoe kan één goede daad zo verkeerd uitpakken? Vertrouwen is als glas — één barst en het is nooit meer hetzelfde.
Zou jij iemand nog helpen als je weet wat mij is overkomen?