Schoonouders op bezoek: Ben ik alleen maar de huishoudster in mijn eigen huis?
‘Waarom staat de vaatwasser nog niet aan, Eva?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ans, snijdt door de keuken als een mes. Ik sta met mijn handen in het sop, mijn rug gespannen, terwijl ik haar blik voel branden in mijn nek. ‘Ik was net bezig met de pannen,’ mompel ik, maar ze hoort het niet of wil het niet horen.
Het is zaterdagmiddag. Zoals elke week zijn Ans en Henk weer bij ons thuis. Mijn man, Jeroen, zit met zijn vader voetbal te kijken in de woonkamer. Ik hoor hun stemmen, het gelach, het gekletter van bierflesjes tegen elkaar. In de keuken ben ik alleen met Ans en haar eindeloze commentaar.
‘Je moet echt eens leren plannen, Eva,’ zegt ze terwijl ze haar handen afdroogt aan een theedoek die ik net schoon had opgehangen. ‘Vroeger, bij ons thuis, was alles altijd op tijd klaar. Mijn kinderen hoefden nooit te wachten.’
Ik slik mijn frustratie weg. ‘Wil je misschien koffie?’ vraag ik, hopend dat ze even stil zal zijn. Ze knikt en kijkt kritisch naar de koffiemachine. ‘Die moet je ook eens goed ontkalken.’
Elke zaterdag hetzelfde ritueel. Jeroen vindt het gezellig, zegt hij. ‘Ze worden ook ouder, Eva. Ze willen gewoon wat tijd met ons doorbrengen.’ Maar het voelt niet als samen zijn. Het voelt als werken. Als presteren. Als falen.
Mijn dochtertje Noor komt binnenrennen. ‘Mama, mag ik een koekje?’
‘Vraag dat maar aan oma,’ zeg ik met een glimlach die pijn doet aan mijn kaken.
Ans kijkt Noor streng aan. ‘Eerst je handen wassen, meisje.’
Noor zucht en druipt af naar de badkamer. Ik kijk haar na en voel een steek van medelijden – voor haar én voor mezelf.
‘Je moet haar strenger aanpakken,’ zegt Ans zachtjes. ‘Kinderen moeten discipline leren.’
Ik knik, maar in mijn hoofd schreeuw ik. Waarom mag ik niet gewoon moeder zijn op mijn eigen manier? Waarom is niets ooit goed genoeg?
Na het eten – dat natuurlijk niet op tijd klaar was volgens Ans – ruim ik de tafel af terwijl Jeroen en zijn vader alweer voor de tv zitten. Noor helpt me met het bestek. ‘Mama, waarom is oma altijd boos?’ fluistert ze.
Ik slik. ‘Oma bedoelt het goed, lieverd.’
Maar zelfs ik geloof het niet meer.
Later die avond zit ik alleen op het balkon met een glas wijn. De stemmen van Jeroen en zijn ouders klinken gedempt door het dubbelglas. Ik voel me leeg en moe. Mijn telefoon trilt: een appje van mijn zus Marloes.
‘Hoe gaat het daar? Overleef je het weer?’
Ik typ: ‘Ik ben zo moe van alles. Voel me een soort huishoudster in mijn eigen huis.’
Ze stuurt een hartje terug en schrijft: ‘Je moet echt eens met Jeroen praten.’
Maar hoe? Elke keer als ik begin over zijn ouders, sluit hij zich af. ‘Ze bedoelen het goed,’ zegt hij dan altijd. Of: ‘Je overdrijft.’
De volgende ochtend sta ik vroeg op om ontbijt te maken. Ans is al beneden en kijkt afkeurend naar de stapel afwas van gisteravond.
‘Je had dat beter meteen kunnen doen,’ zegt ze.
Ik voel iets in mezelf breken. ‘Misschien kun je zelf ook eens helpen,’ flap ik eruit voordat ik erover nadenk.
Ans kijkt me aan alsof ik haar heb geslagen. ‘Zo praat je toch niet tegen je schoonmoeder?’
Jeroen komt binnen op het moment dat de spanning te snijden is. ‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt hij.
‘Niets,’ zeg ik snel, maar Ans is sneller.
‘Je vrouw vindt dat ik te weinig help in haar huis,’ zegt ze met een snuifje minachting.
Jeroen kijkt mij aan, dan zijn moeder. ‘Mam, misschien kun je Eva inderdaad wat ruimte geven.’
Ans balt haar vuisten. ‘Nou, als we zo welkom zijn…’
Henk komt binnen en voelt meteen de sfeer. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Niets!’ roepen we allemaal tegelijk.
De rest van het weekend verloopt stroef. Ans praat nauwelijks nog tegen me; Henk probeert te sussen met flauwe grapjes die niemand lacht. Noor voelt de spanning en trekt zich terug op haar kamer.
Zondagavond, als ze eindelijk vertrekken, plof ik uitgeput op de bank neer. Jeroen komt naast me zitten.
‘Waarom moet het altijd zo moeilijk zijn?’ vraagt hij zachtjes.
Ik kijk hem aan, tranen prikken achter mijn ogen. ‘Omdat ik niet meer weet wie ik ben als zij hier zijn,’ fluister ik.
Hij pakt mijn hand vast, maar zegt niets.
Die nacht lig ik wakker naast hem en denk aan vroeger – aan hoe we samen lachten om kleine dingen, hoe ons huis voelde als een thuis. Nu voelt het als een toneelstuk waarin ik altijd de rol van perfecte gastvrouw moet spelen.
Maandag bel ik Marloes op weg naar mijn werk.
‘Ik kan dit niet meer,’ zeg ik tegen haar terwijl ik over de A2 rijd.
‘Je moet je grenzen aangeven, Eva,’ zegt ze beslist. ‘Anders verandert er nooit iets.’
Die week probeer ik met Jeroen te praten, maar hij ontwijkt het onderwerp steeds weer. Tot vrijdagavond.
‘Ze komen morgen weer,’ zegt hij terwijl hij zijn jas ophangt.
‘Jeroen…’ begin ik voorzichtig. ‘Kunnen we dit weekend misschien iets anders doen? Gewoon met z’n drieën? Ik heb behoefte aan rust.’
Hij zucht diep. ‘Ze kijken er zo naar uit…’
‘Maar ík kijk er niet meer naar uit,’ zeg ik zachtjes maar vastberaden.
Hij kijkt me aan alsof hij me voor het eerst ziet. ‘Wat wil je dan?’
‘Dat jij achter mij staat,’ antwoord ik zonder aarzelen.
Het blijft even stil.
‘Oké,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Ik bel ze wel af.’
Die zaterdag ontbijten we samen – zonder commentaar, zonder haast, zonder spanning. Noor lacht weer om mijn flauwe grapjes en Jeroen lijkt opgelucht.
Maar ergens weet ik dat dit gesprek nog niet klaar is – dat er nog veel moet veranderen voordat ons huis weer echt van ons wordt.
En nu vraag ik me af: Hoeveel vrouwen voelen zich net als ik gevangen in hun eigen huis? Wanneer is het genoeg? Wanneer mag je eindelijk jezelf zijn?