Terugkeer naar een leeg huis: Ben ik echt alleen in dit moederschap?

‘Waar ben je nou, Thomas?’ Mijn stem trilt terwijl ik de voordeur achter me dichttrek, mijn zoon Daan in zijn Maxi-Cosi op de koude vloer. Het huis is stil, te stil. Geen slingers, geen wiegje, geen geur van versgebakken appeltaart zoals mijn moeder vroeger deed als er iets te vieren viel. Alleen de echo van mijn eigen ademhaling en het zachte gesnuif van Daan.

Ik kijk om me heen. De woonkamer is nog precies zoals ik hem achterliet voordat ik naar het ziekenhuis ging: een stapel ongewassen borden op het aanrecht, een halflege mok koffie op tafel, en in de hoek het onafgemaakte Ikea-pakket dat eigenlijk Daan’s wiegje had moeten worden. Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Dit kan niet waar zijn,’ fluister ik. ‘Dit kan gewoon niet waar zijn.’

Mijn moeder had altijd gezegd dat je na de bevalling gedragen wordt door liefde en steun. Maar nu voel ik alleen maar leegte. Ik til Daan uit zijn stoeltje, zijn kleine lijfje warm tegen mijn borst, en loop naar de slaapkamer. Geen wiegje. Geen stapel schone rompertjes. Zelfs geen pak luiers. Mijn adem stokt.

Mijn telefoon trilt in mijn jaszak. Een appje van Thomas: “Sorry schat, vergadering liep uit. Ben er over een uurtje. Kan je het even redden?”

Kan ik het even redden? Ik voel woede opborrelen, vermengd met verdriet en pure paniek. Ik ben net bevallen, mijn lijf doet pijn op plekken waarvan ik niet wist dat ze bestonden, en nu sta ik hier – moederziel alleen met een baby die elk moment kan gaan huilen omdat hij honger heeft of verschoond moet worden.

Ik bel mijn moeder. ‘Mam…’ Mijn stem breekt. ‘Er is hier niks. Geen wiegje, geen luiers… Thomas is er niet.’

Ze zucht diep aan de andere kant van de lijn. ‘Lieverd, ik kom eraan. Maar je weet hoe je vader is met de auto… het duurt wel even.’

‘Het geeft niet,’ lieg ik. Maar alles in mij schreeuwt dat het wél geeft.

Daan begint zachtjes te jammeren. Ik wieg hem heen en weer, zoekend naar iets van houvast in deze chaos. Mijn gedachten razen: Had ik dit moeten zien aankomen? Had ik harder moeten schreeuwen om hulp? Of is dit gewoon hoe het moederschap begint – met een klap van de realiteit?

Een uur later hoor ik eindelijk de voordeur. Thomas komt binnen, telefoon nog aan zijn oor, jas half open, ogen op het scherm gericht.

‘Hoi,’ mompelt hij, zonder op te kijken.

‘Thomas…’ Mijn stem is ijzig. ‘Heb je überhaupt gezien dat er hier niks klaarstaat voor Daan?’

Hij kijkt op, zichtbaar geïrriteerd. ‘Ik heb het druk gehad op werk, Sanne. Je weet toch dat dit project belangrijk is? Ik dacht dat jij alles geregeld had.’

‘Ik heb negen maanden lang alles geregeld!’ gil ik bijna. ‘Maar ik kan niet alles alleen! Jij bent toch ook zijn vader?’

Daan begint te huilen, alsof hij onze ruzie voelt. Thomas zucht diep en loopt naar de keuken.

‘Ik moet nog even een call doen,’ zegt hij zachtjes.

Ik voel tranen branden achter mijn ogen. Is dit het dan? Is dit hoe ons gezinsleven begint – met verwijten en stilte?

De dagen die volgen zijn een waas van slapeloze nachten, voedingen en eindeloze discussies met Thomas. Hij werkt tot laat door, komt thuis als Daan net in slaap is gevallen, en lijkt niet te begrijpen waarom ik steeds bozer word.

Op een avond barst ik uit elkaar.

‘Weet je wat het is?’ snik ik terwijl Daan op mijn borst slaapt. ‘Ik voel me zo alleen. Jij bent er nooit. Alles komt op mij neer.’

Thomas kijkt me aan met een blik die ik niet kan peilen – schuld? Onbegrip? Vermoeidheid?

‘Ik doe mijn best, Sanne,’ zegt hij zachtjes. ‘Maar ik weet gewoon niet hoe dit moet.’

‘En denk je dat ík het wel weet?’ Mijn stem breekt opnieuw.

De volgende dag belt mijn moeder weer aan met tassen vol babyspullen en een pan soep. Ze kijkt me aan met haar warme ogen en slaat haar armen om me heen.

‘Je hoeft dit niet alleen te doen,’ fluistert ze.

Maar als ze weg is en Thomas weer achter zijn laptop zit, voel ik diezelfde leegte terugkomen.

Op een avond – Daan is net drie weken oud – zit ik op de rand van het bed en staar naar de muur.

‘Is dit nou moederschap?’ denk ik hardop. ‘Is dit nou liefde?’

Thomas komt naast me zitten.

‘Sanne…’ Hij pakt mijn hand vast. ‘Misschien moeten we hulp zoeken. Praten met iemand.’

Ik kijk hem aan en zie voor het eerst in weken iets van kwetsbaarheid in zijn ogen.

‘Misschien wel,’ fluister ik.

We maken samen een afspraak bij de huisarts. Daar vertel ik alles: over de leegte, de angst, de woede die soms zo groot wordt dat ik bang ben voor mezelf.

De huisarts luistert aandachtig en knikt begripvol.

‘Jullie zitten in een moeilijke fase,’ zegt ze zachtjes. ‘Maar je hoeft het niet alleen te doen.’

Langzaam verandert er iets tussen Thomas en mij. Hij probeert vaker thuis te zijn, neemt Daan soms mee zodat ik kan slapen of douchen. We praten meer – echt praten – over wat we voelen en missen.

Toch blijft het moeilijk. De verwachtingen van anderen – familie die vindt dat ik me aanstel, vriendinnen die hun perfecte Instagram-baby’s posten – maken het zwaar om toe te geven dat ik worstel.

Op een dag sta ik in de supermarkt met Daan in de draagzak als een wildvreemde vrouw naar me glimlacht.

‘Het is zwaar hè?’ zegt ze zachtjes.

Ik knik, tranen prikken in mijn ogen.

‘Je doet het goed,’ zegt ze dan.

Die woorden blijven hangen als ik thuiskom.

Misschien doe ik het inderdaad goed – ondanks alles.

’s Avonds kijk ik naar Thomas en Daan die samen op de bank liggen te slapen. Voor het eerst voel ik iets van hoop.

Maar toch blijft die vraag knagen: Moet moederschap echt zo eenzaam zijn? Of durven we eindelijk eerlijk te zijn over hoe moeilijk het soms is?