Thuisgekomen voor het Onweer: Het Geheim achter de Deur
‘Waarom huil je, Els?’ Mijn stem trilt terwijl ik de sleutel nog in het slot heb. Het is half zeven, veel te vroeg om thuis te zijn. De regen tikt als hagel tegen de ramen van mijn appartement op de Herengracht. Ik had mijn vergadering in Brussel afgezegd – een plotselinge migraine, zei ik tegen mijn collega’s. Maar nu, in de hal, voel ik dat er iets niet klopt.
Els, de vrouw die mij sinds mijn vierde heeft opgevoed nadat mijn moeder stierf, zit op haar knieën in de keuken. Haar handen zijn rood van het schrobben, haar schouders schokken. ‘Niets, Daan. Ga maar naar je kamer, jongen.’ Haar stem is schor, alsof ze de hele dag heeft gehuild.
‘Els, wat is er gebeurd?’ Ik loop naar haar toe, kniel naast haar neer. Ze draait haar hoofd weg. ‘Het is niets. Gewoon wat gemorst.’ Maar ik zie het: de lege wijnfles op het aanrecht, het gebroken glas op de vloer, en – erger nog – de afdruk van een hand op haar wang.
Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Wie heeft dit gedaan?’
Ze zwijgt. Maar dan hoor ik boven voetstappen. Mijn vader, Arjan van der Veen, komt langzaam de trap af. Zijn overhemd is opengeknoopt, zijn gezicht rood aangelopen. ‘Wat doe jij hier al zo vroeg?’ vraagt hij met een stem die me doet rillen.
‘Ik… Ik voelde me niet lekker,’ stamel ik. Mijn blik glijdt van hem naar Els. ‘Wat is hier gebeurd?’
Arjan lacht kil. ‘Els is onhandig geweest. Ze heeft wijn gemorst over het tapijt. Dat mag toch wel wat kosten, met haar salaris.’ Hij kijkt haar aan met een blik die ik niet herken – minachting, misschien zelfs haat.
‘Papa…’
‘Bemoei je er niet mee, Daan.’
Maar ik kan het niet loslaten. Die nacht lig ik wakker in mijn kamer. De regen is opgehouden, maar in mijn hoofd stormt het nog steeds. Ik hoor Els zachtjes snikken in haar kamer naast de keuken. Mijn vader slaapt als een roos.
De volgende ochtend probeer ik Els te spreken voordat mijn vader wakker wordt. Ze zit aan de keukentafel met een kopje thee, haar handen trillen nog steeds.
‘Els, alsjeblieft… Vertel me wat er aan de hand is.’
Ze kijkt me aan met haar grijze ogen vol verdriet. ‘Sommige dingen kun je beter niet weten, jongen.’
Maar ik ben geen kind meer. Ik ben 28, afgestudeerd aan de UvA, werkend bij een groot advocatenkantoor. Ik kan dit niet negeren.
Die middag ga ik naar mijn zusje, Marieke. Ze woont in een klein appartementje in De Pijp en werkt als verpleegkundige.
‘Daan? Wat doe jij hier?’ Ze kijkt verbaasd als ze me ziet staan met wallen onder mijn ogen.
‘Er is iets mis thuis,’ zeg ik zachtjes. ‘Met Els.’
Marieke zucht diep en draait zich om naar het raam. ‘Ik weet het. Ik heb het vaker gezien… Papa wordt steeds erger sinds mama dood is.’
‘Waarom heb je niks gezegd?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Wat had ik moeten doen? Jij was altijd weg voor je werk… En Els wil geen problemen veroorzaken.’
We zitten samen zwijgend aan haar keukentafel. Buiten trekt een nieuwe bui over Amsterdam.
‘We moeten iets doen,’ zeg ik uiteindelijk.
Marieke knikt langzaam. ‘Maar wat? Papa laat zich door niemand iets zeggen.’
Die avond ga ik terug naar huis met lood in mijn schoenen. Mijn vader zit in zijn leunstoel voetbal te kijken, een biertje in zijn hand.
‘Daan,’ zegt hij zonder op te kijken van de tv, ‘ik wil dat je je nergens mee bemoeit. Dit huis is van mij.’
‘Els verdient respect,’ zeg ik zachtjes.
Hij lacht spottend. ‘Ze is personeel.’
Ik voel woede in me opborrelen die ik nauwelijks kan onderdrukken.
De dagen daarna probeer ik Els te overtuigen om aangifte te doen of tenminste ergens anders te gaan wonen. Maar ze weigert.
‘Ik heb nergens anders familie,’ zegt ze zachtjes terwijl ze de planten water geeft in de serre.
‘Wij zijn je familie,’ zeg ik fel.
Ze glimlacht flauwtjes. ‘Jullie zijn mijn kinderen… Maar Arjan was ooit ook goed voor me.’
Op een avond hoor ik geschreeuw beneden. Ik ren naar beneden en zie hoe mijn vader Els uitscheldt omdat ze per ongeluk een bord heeft laten vallen.
‘Je bent oud en nutteloos!’ schreeuwt hij.
Ik grijp hem bij zijn arm en trek hem weg van Els.
‘Genoeg!’ roep ik. ‘Dit stopt nu!’
Mijn vader kijkt me aan met vuur in zijn ogen. ‘Jij durft mij tegen te spreken in mijn eigen huis?’
‘Dit is niet meer jouw huis als je zo doet,’ zeg ik vastberaden.
Die nacht pak ik samen met Marieke Els’ spullen in en brengen we haar naar Marieke’s appartement.
Mijn vader belt me woedend op: ‘Je hebt alles verpest! Ze was van ons afhankelijk!’
Maar ik luister niet meer naar hem.
De weken daarna verandert alles. Mijn vader drinkt meer dan ooit en belt me soms midden in de nacht om te schelden of te smeken dat Els terugkomt.
Els bloeit langzaam op bij Marieke thuis. Ze lacht weer, kookt haar beroemde stamppot voor ons en vertelt verhalen uit haar jeugd in Friesland.
Op een dag zitten we samen op het balkon van Marieke’s appartement en kijkt ze me aan met vochtige ogen.
‘Dankjewel dat je me hebt gered, Daan.’
Ik pak haar hand vast en voel voor het eerst sinds jaren rust in mijn hart.
Maar soms vraag ik me af: hoe kon het zo ver komen? Waarom zag niemand eerder wat er gebeurde achter gesloten deuren?
En als jij dit leest – zou jij ingrijpen als je zag dat iemand die je liefhebt zo werd behandeld? Of zou je wegkijken zoals zovelen doen?