Toen ik mijn moeder naar het verzorgingshuis bracht: Haar blik brak mijn hart

‘Waarom doe je dit, Daan?’ Haar stem trilde, haar vingers klemden zich om mijn hand alsof ze me nooit meer wilde loslaten. Ik keek naar haar, mijn moeder, haar ogen waterig en vol onbegrip. Het was alsof ik haar verried, alsof ik haar zomaar achterliet. Maar ik wist niet meer wat ik anders moest doen.

‘Mam, het gaat niet meer thuis. Je bent gevallen, je vergeet steeds meer… Ik kan het niet alleen.’ Mijn stem brak. Ik voelde me een kind, terwijl ik allang volwassen was. Mijn moeder, altijd zo sterk, zo koppig, nu zo kwetsbaar.

Ze draaide haar hoofd weg. ‘Je vader zou zich omdraaien in zijn graf.’

Die woorden sneden dieper dan ik had verwacht. Mijn vader was vijf jaar geleden overleden aan een hartaanval. Sindsdien was het alsof er een muur tussen ons stond. Ik probeerde haar te helpen, maar zij wilde alles zelf blijven doen. Tot die nacht dat ik haar op de keukenvloer vond, haar heup gebroken, haar ogen vol paniek.

‘Daan, ik wil niet hier blijven. Dit is niet mijn huis.’

Ik slikte. ‘Ik weet het mam. Maar ik kan niet altijd bij je zijn. Je hebt zorg nodig.’

Ze keek me aan met een mengeling van woede en verdriet. ‘Je hebt een eigen gezin. Je vrouw wil me niet in huis.’

‘Dat is niet waar!’ Maar zelfs terwijl ik het zei, wist ik dat het niet helemaal klopte. Marieke had haar best gedaan, maar de spanning was te snijden thuis. De kinderen werden bang van oma’s verwarde buien, Marieke sliep al weken slecht. We hadden er eindeloos over gepraat, tot diep in de nacht.

‘Daan, dit kan zo niet langer,’ had Marieke gefluisterd terwijl ze naar het plafond staarde. ‘Ik trek dit niet meer. De kinderen ook niet.’

En nu stond ik hier, met mijn moeder voor de deur van het verzorgingshuis in Amersfoort. De lucht was grijs, de bomen kaal. Alles voelde koud en leeg.

Binnen werden we opgewacht door zuster Els, een vriendelijke vrouw met zachte ogen. ‘Welkom mevrouw Van Dijk. We hebben uw kamer al klaar.’

Mijn moeder reageerde niet. Ze liet zich als een marionet meevoeren naar haar nieuwe kamer: een kleine ruimte met een bed, een stoel en uitzicht op de parkeerplaats. Haar koffers stonden al klaar.

‘Wil je nog even blijven?’ vroeg ze zachtjes toen Els weg was.

Ik knikte en ging naast haar zitten op het bed. Ze pakte mijn hand weer vast.

‘Weet je nog,’ begon ze plotseling, ‘toen je klein was en je bang was voor onweer? Dan kroop je bij mij in bed.’

Ik glimlachte flauwtjes. ‘Ja mam.’

‘Nu ben ik bang, Daan.’ Haar stem brak.

Ik voelde tranen branden achter mijn ogen. ‘Het spijt me mam. Echt.’

We zaten daar samen, terwijl de tijd voorbij kroop. Buiten begon het zachtjes te regenen.

Na een uur stond ik op om te gaan. ‘Ik kom morgen weer langs.’

Ze knikte zwijgend en keek uit het raam.

Op weg naar huis voelde ik me leeg en schuldig. In de auto belde Marieke.

‘Hoe ging het?’

‘Niet goed,’ antwoordde ik schor.

‘Je hebt gedaan wat je kon.’

Maar waarom voelde het dan alsof ik gefaald had?

Thuis was het stil. De kinderen zaten op hun kamer, Marieke zat aan de keukentafel met een kop thee.

‘Wil je praten?’ vroeg ze voorzichtig.

Ik schudde mijn hoofd en liep naar boven. In de badkamer keek ik naar mezelf in de spiegel: wallen onder mijn ogen, grijze haren aan mijn slapen. Wanneer was ik zo oud geworden?

Die nacht droomde ik van vroeger: mijn moeder die me optilde na een valpartij op het schoolplein, haar warme handen op mijn gezicht, haar lach toen we samen pannenkoeken bakten op zondag.

De volgende dag ging ik weer naar het verzorgingshuis. Mijn moeder zat in de gemeenschappelijke ruimte, tussen andere ouderen die voor zich uit staarden of zachtjes mompelden tegen zichzelf.

‘Dag mam,’ zei ik opgewekt.

Ze keek op, haar ogen dof. ‘Ben jij daar alweer?’

‘Natuurlijk mam.’

Ze leek kleiner dan ooit, verloren in een wereld waar ik geen toegang toe had.

De weken gingen voorbij. Soms herkende ze me niet eens meer als ik binnenkwam.

‘Bent u familie?’ vroeg ze dan.

Elke keer brak er iets in mij.

Op een dag kwam mijn zus Anouk langs uit Groningen. We hadden elkaar maanden niet gezien; onze band was altijd moeizaam geweest sinds papa’s dood.

‘Jij hebt dit beslist,’ beet ze me toe in de gang van het huis.

‘Anouk, wat had jij dan gewild? Dat ze thuis viel en niemand haar vond?’

‘Jij had meer kunnen doen! Je woont hier vlakbij!’

‘En jij? Je belt eens per maand!’

We stonden tegenover elkaar als vreemden, onze stemmen hard en scherp tussen de witte muren.

Later die middag zat ik weer bij mijn moeder op haar kamer. Ze leek afwezig, haar blik op iets wat alleen zij kon zien.

‘Mam?’ vroeg ik zachtjes.

Ze draaide zich langzaam naar me toe en glimlachte flauwtjes. ‘Dag jongen.’

Voor een moment was ze er weer even helemaal.

‘Ben je gelukkig hier?’ vroeg ik voorzichtig.

Ze haalde haar schouders op. ‘Het is niet thuis.’

Ik slikte en kneep in haar hand.

Na dat bezoek reed ik doelloos door Amersfoort. Ik dacht aan alles wat we hadden meegemaakt: de vakanties aan zee, de ruzies om niks, de stilte na papa’s dood. Had ik meer moeten doen? Had ik haar langer thuis moeten houden? Of was dit gewoon hoe het leven liep?

Thuis probeerde ik met Marieke te praten over mijn schuldgevoelens, maar zij begreep het niet echt.

‘Je hebt geen keuze gehad,’ zei ze steeds weer.

Maar waarom voelde het dan alsof ik wel een keuze had gehad?

De maanden verstreken en mijn moeder werd steeds zwakker. Op een ochtend belde zuster Els: ‘Het gaat niet goed met uw moeder. Misschien wilt u komen.’

Ik reed zo snel als ik kon naar het huis. In haar kamer rook het naar bloemen en medicijnen. Mijn moeder lag stil in bed, haar ademhaling zwaar en onregelmatig.

Ik pakte haar hand en fluisterde: ‘Ik ben hier mam.’

Haar ogen gingen langzaam open en ze keek me aan met een helderheid die ik lang niet had gezien.

‘Daan…’ fluisterde ze moeizaam.

‘Ja mam?’

‘Het is goed zo…’

Die middag overleed ze rustig in haar slaap.

Na haar begrafenis bleef er vooral leegte achter – en vragen waar ik geen antwoord op had.

Had ik anders moeten kiezen? Had liefde anders moeten voelen? Of is loslaten soms ook liefde?