Toen ik mijn oude oppas zag bedelen op het Stationsplein: een confrontatie met mijn verleden
‘Mevrouw, heeft u misschien wat kleingeld voor een broodje?’
De stem was schor, gebroken door kou en schaamte. Ik stond op het drukke Stationsplein, mijn paraplu stevig in mijn hand geklemd, terwijl de regen als een grijze sluier over de stad viel. Mijn blik gleed vluchtig over de mensenmassa, tot mijn ogen bleven hangen op het gezicht van de vrouw die me aansprak. Mijn adem stokte.
‘Els?’ fluisterde ik, nauwelijks hoorbaar. Mijn hart bonsde in mijn borst. Dit kon niet waar zijn. Zij, die mij als kind in slaap zong, die mijn tranen droogde als mijn ouders weer eens ruzie hadden. Zij, die altijd naar lavendel rook en warme handen had. Nu zat ze daar, in een versleten jas, haar haren grijs en haar ogen dof, met een kartonnen bekertje voor zich.
Ze keek me aan, haar blik glazig. ‘Sorry, kent u mij?’
Ik knielde naast haar neer, de regen trok zich niets aan van mijn dure pak. ‘Els, ik ben het. Thomas. Thomas van der Meer.’
Haar ogen werden groot, haar mond viel open. ‘Thomas? Kleine Thomas?’
Ik voelde een brok in mijn keel. ‘Ja, Els. Wat… wat is er gebeurd?’
Ze sloeg haar ogen neer, haar schouders trilden. ‘Ach jongen, het leven… het leven is niet altijd eerlijk.’
De mensen om ons heen liepen gehaast voorbij, niemand die echt keek. Ik voelde me plotseling schuldig. Ik, Thomas van der Meer, de man die alles had: een miljoenenbedrijf, een penthouse aan de Zuidas, een auto die meer kostte dan het huis waarin ik opgroeide. En zij, die mij ooit troostte, zat nu te bedelen op straat.
‘Kom mee,’ zei ik zacht. ‘Kom alsjeblieft mee. Je hoort hier niet te zijn.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ik wil je niet tot last zijn, jongen. Je hebt je eigen leven nu.’
‘Els, je was als een moeder voor me. Je hebt me opgevoed toen mijn ouders dat niet konden. Je hoort niet op straat te zitten.’
Ze keek me aan, haar ogen vol tranen. ‘Je moeder… ze wilde me niet meer zien, weet je nog? Toen je vader overleed, heeft ze me de deur gewezen. Ik had niks meer. Geen familie, geen huis. Alles kwijt.’
De pijn in haar stem sneed door mijn ziel. Ik herinnerde me die dag nog goed. Mijn moeder, altijd hard, altijd afstandelijk. Mijn vader, die stierf aan een hartaanval toen ik twaalf was. Daarna veranderde alles. Mijn moeder stuurde Els weg, zonder pardon. Ik was te jong om te begrijpen waarom, te bang om tegen haar in te gaan.
‘Het spijt me, Els. Ik had iets moeten doen. Ik had je moeten zoeken.’
Ze glimlachte flauwtjes. ‘Je was een kind, Thomas. Jij kon er niks aan doen.’
Ik stond op en stak mijn hand naar haar uit. ‘Kom alsjeblieft mee. Ik laat je niet hier achter.’
Aarzelend pakte ze mijn hand. Haar vingers waren koud en dun. Samen liepen we door de regen, weg van het plein, weg van de blikken van voorbijgangers. In de taxi naar mijn appartement was het stil. Ik keek naar haar, probeerde de vrouw te herkennen die ooit zo’n grote rol in mijn leven speelde. Ze was ouder, gebroken, maar ergens in haar ogen zag ik nog de warmte van vroeger.
Thuis gaf ik haar droge kleren, zette thee en haalde een deken. Ze zat op de bank, haar handen om de mok geklemd. ‘Het is zo lang geleden dat iemand voor me zorgde,’ fluisterde ze.
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Je had nooit alleen mogen zijn, Els. Nooit.’
Die avond belde ik mijn moeder. Mijn handen trilden. ‘Mam, ik heb Els gevonden. Ze leeft op straat. Hoe heb je dit kunnen laten gebeuren?’
Haar stem was koel. ‘Thomas, dat is niet meer onze zaak. Zij hoorde niet meer bij ons gezin.’
‘Niet meer bij ons gezin? Ze heeft mij opgevoed! Ze was er altijd voor mij, toen jij dat niet was!’
‘Je overdrijft. Je moet het verleden laten rusten, Thomas. Je hebt nu je eigen leven.’
Ik hing op, woedend en verdrietig tegelijk. Hoe kon ze zo hard zijn? Hoe kon ik zo blind zijn geweest?
Els bleef die nacht bij mij. Ze sliep diep, als een kind. Ik zat urenlang naar haar te kijken, herinneringen aan vroeger kwamen boven. Hoe ze me voorlas, hoe ze me in bad deed, hoe ze me troostte als ik bang was voor het onweer. Ik voelde me schuldig. Al die jaren had ik haar niet gezocht, niet aan haar gedacht. Ik was te druk met geld verdienen, met mezelf.
De volgende ochtend maakte ik ontbijt. Els at langzaam, alsof ze niet geloofde dat het echt was. ‘Wat ga je nu doen, Thomas?’ vroeg ze zacht.
‘Ik wil je helpen, Els. Je verdient beter dan dit. Je kunt hier blijven zolang je wilt. Of ik kan je helpen een eigen plek te vinden. Wat jij wilt.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ik wil je niet tot last zijn. Je hebt je eigen leven, je eigen zorgen.’
‘Jij was er altijd voor mij. Nu ben ik er voor jou. Dat is geen last, dat is liefde.’
Ze begon te huilen. Ik sloeg mijn armen om haar heen. ‘Je bent niet alleen meer, Els. Nooit meer.’
In de weken die volgden, hielp ik haar aan een nieuw huisje. Ik regelde hulp, zorgde dat ze weer een inkomen kreeg. Langzaam kwam de glans terug in haar ogen. We praatten veel, over vroeger, over nu. Soms kwam het verleden als een schaduw tussen ons in te staan. Ze vertelde over haar eenzaamheid, over de mensen die haar negeerden op straat, over de schaamte en de kou. Ik luisterde, voelde de pijn en het verdriet.
Mijn moeder bleef onbereikbaar. Ze wilde niets met Els te maken hebben. Mijn zus, Marieke, belde me op een dag. ‘Waarom doe je dit, Thomas? Je kunt niet iedereen redden.’
‘Ik hoef niet iedereen te redden. Alleen haar. Omdat zij mij ooit redde.’
Marieke zuchtte. ‘Je bent altijd zo sentimenteel geweest.’
‘Misschien. Maar ik kan niet anders.’
Els werd langzaam weer zichzelf. Ze lachte vaker, haar ogen kregen weer kleur. Soms gingen we samen wandelen in het Vondelpark, net als vroeger. Mensen keken soms vreemd, een rijke zakenman met een oude vrouw in een tweedehands jas. Maar ik gaf er niet om. Zij was mijn familie, meer dan wie dan ook.
Op een dag, terwijl we samen op een bankje zaten, zei Els: ‘Dank je, Thomas. Je hebt mijn leven gered.’
Ik kneep in haar hand. ‘Jij hebt het mijne gered, lang geleden. Dit is het minste wat ik kan doen.’
Soms vraag ik me af: hoeveel mensen lopen er rond, vergeten door de mensen die ze ooit liefhadden? Hoeveel Elsen zijn er, onzichtbaar in onze drukke steden? En wat zegt dat over ons, als we hen niet zien? Wat zouden jullie doen als je iemand uit je verleden zo zou tegenkomen?