Toen mijn dochter ziek werd: het geheim dat mijn gezin brak

‘Papa, waarom doet mijn buik zo’n pijn?’ hoorde ik Noor kreunen vanuit haar bed. Het was half drie ’s nachts, de regen sloeg tegen de ramen van ons rijtjeshuis in Utrecht, en ik voelde paniek opborrelen. Mijn vrouw, Marieke, was niet thuis – ze had gezegd dat ze nog even bij haar zus zou langsgaan, maar dat was uren geleden. Noor lag opgerold, haar gezicht bleek en bezweet.

‘Rustig maar, meisje,’ fluisterde ik, terwijl ik haar haar uit haar gezicht streek. ‘Papa is hier. We gaan zo naar het ziekenhuis, goed?’ Mijn handen trilden terwijl ik haar in haar jas hielp en haar in de auto tilde. De ruitenwissers veegden de stortregen weg, maar in mijn hoofd werd het alleen maar mistiger. Waar was Marieke? Waarom nam ze haar telefoon niet op?

In het ziekenhuis ging alles snel. Artsen stelden vragen, namen bloed af, en ik probeerde antwoorden te geven terwijl ik mijn dochter’s hand vasthield. ‘Heeft ze allergieën? Gebruikt ze medicijnen? Zijn er erfelijke ziektes in de familie?’

‘Niet dat ik weet,’ stamelde ik, maar de arts keek me doordringend aan. ‘We moeten alles uitsluiten. Is haar moeder bereikbaar?’

‘Nee, ze… ze neemt niet op.’

Noor werd opgenomen. Ik zat naast haar bed, haar kleine hand in de mijne, terwijl de monitoren piepten. Mijn gedachten draaiden rondjes. Marieke’s telefoon bleef overgaan zonder antwoord. Ik stuurde haar zus een bericht: ‘Is Marieke bij jou?’ Het antwoord kwam snel: ‘Nee, ze is hier niet geweest.’

De volgende ochtend kwam de kinderarts met een ernstig gezicht binnen. ‘Meneer Van Dijk, mag ik u even spreken?’

Ik volgde hem naar een kamertje. ‘We hebben iets gevonden in Noors bloedwaarden. Het lijkt erop dat ze een zeldzame erfelijke aandoening heeft. We willen graag genetisch onderzoek doen bij beide ouders.’

Mijn hart sloeg over. ‘Maar… wat betekent dat?’

‘Het betekent dat we moeten weten of u en uw vrouw drager zijn. Kunt u haar bereiken?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ze is weg. Ik weet niet waar ze is.’

De arts keek me aan, zijn blik vol medelijden. ‘We doen wat we kunnen voor Noor. Maar het zou helpen als we meer wisten.’

De uren sleepten zich voort. Noor sliep veel, haar gezichtje nog bleker dan normaal. Ik probeerde Marieke te bellen, haar vrienden, haar werk – niemand wist waar ze was. De politie wilde nog geen vermissing opnemen, het was te vroeg, zeiden ze. Misschien had ze gewoon tijd voor zichzelf nodig.

Maar ik voelde dat er iets niet klopte. Marieke was geen vrouw die zomaar verdween. We hadden onze problemen, ja – wie niet? Maar ze hield van Noor. Ze zou haar nooit in de steek laten.

Twee dagen later kwam de arts terug. ‘We hebben het genetisch onderzoek bij Noor afgerond. Meneer Van Dijk… mag ik u iets persoonlijks vragen? Bent u zeker dat u Noors biologische vader bent?’

Het voelde alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. ‘Wat bedoelt u?’

‘De aandoening die Noor heeft, kan alleen als beide ouders drager zijn van een bepaald gen. Uw bloedonderzoek laat zien dat u dat gen niet heeft.’

Ik staarde hem aan. ‘Dat kan niet. Ik ben haar vader.’

‘Biologisch gezien… lijkt dat niet zo te zijn.’

Ik liep als een zombie terug naar Noors kamer. Mijn hoofd tolde. Marieke was weg, Noor was ziek, en nu dit. Hoe kon dit? Had Marieke een geheim voor me gehad, al die jaren?

Die avond, terwijl ik naast Noor zat, kwam er een bericht binnen op mijn telefoon. Een onbekend nummer. ‘Het spijt me. Ik kon het niet meer. Zorg goed voor Noor. – M.’

Ik voelde woede, verdriet, verwarring. Hoe kon ze dit doen? Waarom had ze nooit iets gezegd? Ik dacht aan alle momenten dat we samen waren, aan de eerste keer dat ik Noor vasthield, aan de slapeloze nachten, de verjaardagen, de kleine ruzies en de grote liefde. Was het allemaal een leugen geweest?

De dagen werden weken. Noor knapte langzaam op, maar moest regelmatig naar het ziekenhuis. Ik probeerde te functioneren – werken, zorgen, zoeken naar antwoorden. De politie startte uiteindelijk een onderzoek naar Marieke’s verdwijning, maar er was geen spoor. Haar ouders gaven mij de schuld. ‘Je hebt haar te veel onder druk gezet!’ schreeuwde haar moeder tijdens een telefoongesprek. ‘Ze was ongelukkig met jou!’

Ik schreeuwde terug: ‘Ik heb altijd van haar gehouden! Ik heb alles voor haar gedaan!’ Maar diep vanbinnen knaagde de twijfel. Had ik iets gemist? Had ik haar niet genoeg gezien, niet genoeg geluisterd?

Op een avond, toen Noor sliep, vond ik in Marieke’s kast een doos met brieven. Brieven aan een man die ik niet kende. ‘Lieve Bas, ik weet niet hoe ik verder moet. Ik hou van jou, maar ik kan mijn gezin niet verlaten. Noor verdient stabiliteit. Maar soms voelt het alsof ik stik…’

Bas. Wie was Bas? Ik zocht zijn naam op in Marieke’s oude agenda’s, vond een telefoonnummer. Mijn handen trilden toen ik hem belde.

‘Met Bas.’

‘Spreek ik met Bas de Groot? Ik ben Erik van Dijk, de man van Marieke.’

Het bleef even stil. ‘Oh…’

‘Weet u waar ze is?’

‘Nee. Ik heb haar al maanden niet gesproken. We hadden… contact, maar ze verbrak het. Ze wilde bij haar gezin blijven.’

‘Weet u iets over Noor?’

Weer stilte. ‘Nee. Is er iets met haar?’

Ik vertelde hem over de ziekte, over het genetisch onderzoek. ‘De artsen zeggen dat ik niet haar biologische vader ben.’

Bas zuchtte diep. ‘Ik… ik weet het niet. Marieke en ik… het was ingewikkeld. Maar ik heb nooit geweten dat Noor misschien mijn dochter is.’

Ik hing op, verwarder dan ooit. Was Bas Noors vader? Moest ik het hem vertellen? Moest ik Noor de waarheid vertellen als ze ouder was?

De maanden gingen voorbij. Noor herstelde langzaam, maar de vragen bleven. Ik werd geconfronteerd met blikken van buren, gefluister op het schoolplein. ‘Heb je het gehoord? Marieke is weg. En Erik… nou ja, dat kind…’

Soms voelde ik me zo alleen dat ik wilde schreeuwen. Maar elke keer als Noor haar armen om me heen sloeg, wist ik dat ik moest volhouden. Zij had niemand anders. Ik was haar vader, of het nu in bloed was of niet.

Op een dag, terwijl ik haar naar bed bracht, keek ze me aan met haar grote, bruine ogen. ‘Papa, komt mama nog terug?’

Ik slikte. ‘Ik weet het niet, lieverd. Maar ik ben hier. Ik blijf altijd bij jou.’

Ze knikte, kroop tegen me aan. ‘Jij bent de beste papa van de wereld.’

Die woorden braken iets in mij open. Misschien was familie niet wie je bloed deelt, maar wie blijft als alles uit elkaar valt. Misschien was liefde niet altijd eerlijk, niet altijd eenvoudig, maar wel echt.

Nu, jaren later, is Marieke nog steeds niet gevonden. Noor weet dat haar moeder weg is, maar niet alles. Misschien vertel ik haar ooit de hele waarheid. Misschien ook niet. Wat ik wel weet: ik heb gekozen om te blijven. Om vader te zijn, elke dag opnieuw.

En soms vraag ik me af: wat zou jij doen als je alles verloor, behalve de liefde van je kind? Is bloed echt dikker dan water, of is het moed die een gezin bij elkaar houdt?