Toen mijn schoonmoeder zei: ‘Dan neem jij de lening maar op.’ – Met een koffer terug naar huis
‘Dus jij neemt de lening maar op jouw naam, Eva. Je verdient tenslotte het meest van ons drieën.’
De woorden van mijn schoonmoeder, Truus, sneden als een mes door de stilte aan de eettafel. Mijn vork hing halverwege tussen mijn bord en mijn mond. Mijn man, Jeroen, keek zwijgend naar zijn aardappelen, alsof hij hoopte dat ze hem konden redden van het gesprek. Buiten hoorde ik de tram langsratelen, het enige bewijs dat de wereld gewoon doorging terwijl mijn leven op zijn kop stond.
Ik was negentien toen ik met Jeroen trouwde. Iedereen zei dat het te vroeg was, maar ik geloofde in ons. We waren jong, verliefd en dachten dat we samen alles aankonden. Maar de realiteit van een klein appartement in Amsterdam-West, gedeeld met zijn moeder, was iets waar niemand me op had voorbereid.
Truus was een vrouw met scherpe ogen en een nog scherpere tong. Ze had haar hele leven hard gewerkt als verpleegkundige en vond dat ze recht had op rust – en op haar zoon. Vanaf het begin voelde ik me een indringer in haar huis, zelfs al betaalden Jeroen en ik de helft van de huur.
‘Waarom moet ik de lening nemen?’ vroeg ik zachtjes, mijn stem trillend. ‘Het is toch voor de verbouwing van jouw keuken?’
Truus snoof. ‘Jij kookt hier toch ook? En Jeroen heeft geen vast contract. Jij wel. Het is logisch.’
Jeroen keek me niet aan. Ik voelde me alleen, verraden zelfs. Was dit het leven dat ik voor mezelf had gekozen? Een leven waarin ik verantwoordelijk werd gehouden voor andermans dromen?
Die nacht lag ik wakker naast Jeroen. Zijn rug naar mij toe, zijn ademhaling zwaar. Ik wilde hem aanraken, vragen waarom hij niet voor mij opkwam, maar de woorden bleven steken in mijn keel.
De volgende ochtend stond Truus al in de keuken toen ik binnenkwam. Ze schonk zichzelf koffie in en keek me aan over haar bril.
‘Heb je erover nagedacht?’ vroeg ze zonder omhaal.
‘Ik wil het niet,’ zei ik. ‘Het voelt niet eerlijk.’
Ze zette haar kopje neer met een klap. ‘Soms moet je offers brengen voor familie, Eva. Dat is wat wij hier doen.’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen, maar ik weigerde ze te laten zien. Ik pakte mijn jas en liep naar buiten, de frisse ochtendlucht in. Op het pleintje voor het huis belde ik mijn moeder.
‘Mam,’ fluisterde ik, ‘mag ik even langskomen?’
Mijn moeder hoorde meteen aan mijn stem dat er iets mis was. ‘Kom maar, lieverd. Ik zet thee voor je.’
De tramrit naar Haarlem voelde als een ontsnapping. Ik keek naar de grauwe stad die aan me voorbijtrok en vroeg me af waar het mis was gegaan. Was het naïef om te denken dat liefde genoeg was? Of had ik gewoon pech gehad met mijn schoonfamilie?
Mijn moeder sloeg haar armen om me heen toen ik binnenkwam. Haar huis rook naar appeltaart en veiligheid.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze zacht.
Ik vertelde haar alles – over Truus, over de lening, over Jeroens stilzwijgen. Ze luisterde zonder te oordelen.
‘Je hoeft niet terug als je dat niet wilt,’ zei ze uiteindelijk. ‘Je mag altijd hier blijven.’
Die avond belde Jeroen me. Zijn stem klonk schor.
‘Waar ben je?’
‘Bij mijn moeder,’ antwoordde ik.
‘Kom je terug?’
Ik zweeg even. ‘Wil jij dat?’
Hij zuchtte diep. ‘Het is lastig met mam… Maar we hebben elkaar toch?’
‘Hebben we elkaar nog wel?’ vroeg ik zacht.
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn.
De dagen daarna probeerde Jeroen me over te halen terug te komen. Hij beloofde dat hij met zijn moeder zou praten, dat hij haar zou uitleggen dat het niet eerlijk was om alles op mij af te schuiven. Maar elke keer als ik hem sprak, voelde ik hoe ver we uit elkaar waren gegroeid.
Op een avond stond Truus ineens voor de deur bij mijn moeder. Ze had een plastic tas bij zich en haar gezicht stond strak.
‘Eva,’ begon ze zonder groet, ‘ik snap niet waarom je zo moeilijk doet. Iedereen heeft het zwaar tegenwoordig. Je moet gewoon volwassen worden.’
Mijn moeder ging beschermend naast me staan. ‘Misschien is het tijd dat jullie Eva wat ruimte geven.’
Truus snoof minachtend en draaide zich om zonder nog iets te zeggen.
Na die confrontatie wist ik wat me te doen stond. Ik pakte mijn koffer – dezelfde die ik had meegenomen toen ik uit huis ging – en vulde hem met alles wat echt van mij was: wat kleren, een paar boeken, mijn dagboek.
Ik ging terug naar het appartement om afscheid te nemen van Jeroen. Hij zat op de bank, zijn hoofd in zijn handen.
‘Dus dit is het dan?’ vroeg hij zonder op te kijken.
‘Ik kan niet meer,’ zei ik zacht. ‘Ik voel me hier niet thuis.’
Hij knikte langzaam, tranen in zijn ogen die hij niet liet vallen.
Toen ik de deur achter me dichttrok, voelde ik me leeg en opgelucht tegelijk. Ik wist niet wat de toekomst zou brengen, maar één ding wist ik zeker: ik wilde nooit meer leven voor iemand anders dan mezelf.
Nu, maanden later, zit ik op mijn oude kamer in Haarlem en kijk uit het raam naar de regen die tegen het glas tikt. Soms vraag ik me af of ik gefaald heb – of juist eindelijk voor mezelf heb gekozen.
Was liefde ooit genoeg geweest? Of moet je eerst jezelf liefhebben voordat je iemand anders gelukkig kunt maken?